eerlijke vermaken, dienende om den geest te verlevendigen, en dien
bekwaam te maken tot ernstige en moeijelijke bezigheden, wierden
toegelaten; aangezien zij vastelijk gelooven, dat de kwade luim en de
zwaarmoedige gesteltheden, de bronnen van zo veele beroerten,
opschuddingen en verkeerde raadgevingen, daar door uit den weg geruimt
worden. Hier door is 't, dat zij hunne gewigtigste bezigheden met spel
en boert mengen; parende egter zodanig de staatigheid met de
vriendelijkheid, dat deeze niet overslaat tot dartelheid, nog gene tot
droefheid. Maar niet zonder verontwaardiging bemerkte ik, dat onder de
schouw- en tooneelspelen ook wierden gerekent disputeerkonstoefeningen:
aangezien 'er op zekere vastgestelde tijden in 't jaar weddenschappen
geschiedden, en onder eene vastgestelde belooning voor den overwinnaar,
twistredenaars, even als koppels van kampvegters, tegens elkaêr gesteld
wierden, bijna op dezelve voorwaarden, als bij ons de kampgevegten der
haanen of andere feller dieren geschieden. Dit is de oorzaak, dat
gegoede lieden twistredenaars onderhouden, even als bij ons de
jagthonden worden onderhouden, en dezelve onderrigten in de _Dialectica_
of konst van Zintwisten; ten einde zij bekwamer en grooter snappers
mogen worden, tegen dat de tijd van 't jaar, tot kakelen bestemd,
aannadert. Hier door hadt zeeker rijk burger, _Henochi_ geheeten, in den
tijd van drie Jaaren groote rijkdommen, en wel tot 4000. _Ricatu_ toe,
gewonnen uit den veroverden buit van een eenigen twistredenaar, welken
hij ten dien einde onderhield; en het was al meer dan eens geschied, dat
hem voor den zelven zeer groote sommen gelds waren aangeboden geworden
van de gene die met diergelijke oefeningen gewoon waren winst te doen;
dog hij wilde voor als nog dien schat, waar uit hij jaarlijks zoo veele
inkomsten trok, niet verkoopen. Met eene verwonderlijke vaardigheid van
tonge wist die kakelaar de redenen te ontzenuwen, te bekragtigen en te
verdraaijen, zijnde een meester in verstrikkende kwinkslagen, en in de
loopjes der _Dialectica_ of Redeneerkonst: daarenboven was hij zo
afgeregt op de konsttreken van door _distingueeren, subsumeeren_, en
_limiteeren_, alle zijne tegenpartijders uit te strijken, dat hij ze op
zijn gemak den mond konde stoppen. Meer dan eenmaal ben ik bij
schouwspelen van die natuur, niet zonder de uiterste smerte,
tegenwoordig geweest: want ik hield het voor onbetamelijk en
verfoeijelijk zoodanige heerlijke oefeningen, welke onze schoolen zulken
luister bijzetten, tot tooneelspelen te maken: en wanneer ik mij te
binnen bragt, dat ik driemaalen, met de grootste toejuichinge in 't
openbaar gedisputeert, en daar door mijne _Promotie_ bekomen had; kon ik
naauwelijks mij van traanen onthouden. Voor de rest mishaagde mij de
manier van disputeeren niet minder, dan de daad zelve: want daar wierden
zeekere aanhitzers gehuurd, welke zij daar _Cabalcos_ heeten, die,
wanneer zij zien dat de drift der Redentwisters begint te verkoelen,
dezelve met een soort van prikkelen in de zijden steeken, om ze weder
vuurig te maken, en ze de afnemende kragten te doen hervatten. Andere
dingen, en welke ik grootelijks in zulk een geslepen volk veroordeelde,
laat ik daar, want ik schaame het mij dezelve te melden. Behalven deeze
Redentwisters, welke de Onderaardlingen spottender wijze _Mashakos_, dat
is gezegt Krakkeelers, noemen, waren 'er ook andere gevegten van
viervoetige zoo wilde als tamme beesten, en van roofvogels, welke men
voor een stuk gelds, dat daar toe slont, zien kon. Ik vraagde mijnen
huiswaard, hoe 't mogelijk was, dat een volk van zoo veel oordeel zulke
voortreffelijke oefeningen, waar door men een talent van welsprekendheid
krijgt, de waarheid, ontdekt, en het verstand gescherpt wordt, naar de
schouwspelen verwees. Hij gaf mij ten antwoord, dat zoodanige
kampgevegten eertijds in de Barbaarsche Eeuwen zeer in agtinge waren
geweest; dog dat, vermits zij eindelijk door de ondervindinge hadden
geleert, dat de waarheid door redetwisten meer uitgedooft, de jeugd
dartel gemaakt wierdt beroerten ontstonden en de allernuttigste studien
als 't ware boeijen wierden aangeklonken, zij die oefeningen van de
Academien tot de schouwspelen hadden overgebragt; en dat ook de uitkomst
geleert hadt, dat de leerlingen door stilzwijgen, leezen, en overdenken,
veel eerder tot het Meesterschap geraakten. Met welk antwoord, hoe zeer
ook het zelve schijn van waarheid hadt, ik geen genoegen nam. In deeze
Stad was eene Academie of Hoogeschool, alwaar de vrije konsten naar
behooren en met zeer veel deftigheid geleerd wierden. Ik wierd van
mijnen huiswaard in de gehoorzaal deezer school ingeleid op eenen
plegtigen dag, en op welken een _Madic_ of Leeraar in de Philosophie
verkooren wierdt. Dat geschiedde zonder eenige plegtigheid, behalven
alleen dat de aanstaande Leeraar eene zeer geleerde en sierlijke
redenvoeringe deedt over een geschilstuk in de Natuurkunde; waar na hij
van de Bestierders der schoole op de naamrolle der gene, welken het
vergunt wordt opentlijk te leeraren, wierdt aangetekent. Toen mijn
huiswaard mij vraagde, hoe mij die plegtigheid hadt aangedaan, gaf ik
hem ten antwoord, dat mij dezelve al te droog en te mager bij onze
_Promotien_ was voorgekomen. Vervolgens deed ik hem verslag op wat wijze
bij ons Meesters en Leeraars worden gemaakt, te weten: na voorgaande
proefstukken te hebben gegeven van Disputatien. Hij hierop zijn hoofd
met rimpels trekkende, vraagde mij naar den aart en nature van die
Disputatien, en waar in dezelve van die der Onderaardlingen verschilden.
Ik zeide hem, dat ze doorgaans waren over zeer geleerde en
wetenswaardige zaaken: vooral aangaande de gewoonten, taalen, en
kleedingen van twee oude Volkeren, die eertijds in Europa 't meest
gebloeit hebben; betuigende hem, dat ik met drie geleerde Disputatien
gehandelt had over derzelver wijze van schoeijen. Naauwlijks hadt hij
dit gehoord, of hij barstte zodanig uit in lachen, dat 'er het gantsche
huis van klonk. Zijn wijf, door dat geluid gaande gemaakt, kwam,
schielijk toegeloopen, vraagende naar de oorzaak van dat gelach. Dog ik
was hier door zoodanig gestoord, dat ik mij niet verwaardigde te
antwoorden: want het scheen mij onbehoorlijk, dat zulke deftige en
ernstige zaken, oorzaak tot lachen en spotten gaven. Dog zij eindelijk
van haaren man vernomen hebbende wat van de zaak was, begon niet minder
in lachen uit te barsten. Dit geval eerlang door de gantsche Stad
verspreit zijnde, gaf aanleidinge tot geduurige spotternijen: zoodanig
dat de vrouw van zekeren Raadsheer, die uit haar zelven goed lachs was,
door dit verhaal zoo zeer wierd aangezet, dat zij door gestadig lachen
bijna haaren reuzel scheurde. En vermits zij niet heel lang daar na, de
koorts gekregen hebbende, kwam te overlijden, geloofde men, dat zij door
dat onmatig lachen, waar in het al veel op de long was aangekomen, eene
ziekte, die haar ook doodelijk was geweest, gekregen hadt. Het bleek
egter niet klaar, waar aan zij gestorven was; en men verspreidde maar
iets diergelijks onder den duim. Voor het overige was zij eene
goedaartige vrouw, en de beste huismoeder van de waereld: want zij hadt
zeven takken, dat voor die Sexe al iets zeldzaams is; waaromme ook allen
boomen van fatzoen haar dood zeer ter harte ging. Zij wierdt bij nagt
begraven buiten de muuren der Stad, in dezelve kleederen, welke zij aan
hadt ten tijde haares overlijdens: want binnen de Stad te begraven is
bij eene wet verboden, vermits zij vaststellen dat de lugt door de
uitwaasseming der doode lichamen wordt aangesteken. Voorts legt 'er een
verbod tegen het begraven der lijken met groot gevolg, of pragtige
lijkstaatie; aangezien dezelve welhaast staan te worden tot voedsel voor
de wormen. Alle welke dingen mij als zeer voorzigtige inzettingen
voorkwamen. Egter worden 'er doorgaans Lijk en Lof redenen gedaan: dog
welke enkel en alleen bestaan in vermaningen om wel te leeven; en door
welke den toehoorderen de sterflijkheid wordt afgeschetst. Die het
opzigt over de zeden hebben, zijn genoodzaakt zig daar bij te laten
vinden, om agt te slaan of de Lijk-redenaars de geheugenisse der
overledenen meer of min dan naar behooren prijzen. Daar van daan is het,
dat de Redenaars der Onderaardlingen zoo spaarzaam zijn in 't geven van
loftuigingen, vermits 'er eene straf gestelt is op het geven van grooter
lof, dan iemant toekomt. Niet lang daarna wanneer ik bij eene
diergelijke Lijkreden tegenwoordig geweest was, vraagde ik mijnen
huiswaard naar den staat en waardigheid des overledenen, wiens uitvaart
geviert was. Hij antwoordde, dat hij was geweest een boer, dien de dood
overvallen hadt, zoo als hij onder weg was naar de Stad. Toen begon ik,
die nog zoo onlangs door de Onderaardlingen was uitgelachen, op mijne
beurt mede te schateren van lachen, kaatsende hen de pijlen, die zij op
die van Europa hadden geschoten, thans rijkelijk weder toe. _Waarom dog
worden,_ zeide ik, _de Ossen en Bullen, der boeren makkers en
spitsbroeders, niet mede met eene Lijk-reden vereert: vermits zij met de
Landlieden in gelijke bediening? zijnde, ook dezelve stoffe tot
Lijkredenen redenen komen uit te leveren_? Dog mijn huiswaard geboodt
mij mijn lachen in te houden, zeggende, dat de Akkerlieden daar te Lande
uittermate geagt wierden, om de voortreffelijkheid huns beroeps, en dat
generlei soort van levenswijze aldaar boven den Landbouw geschat wierdt;
waar door het toekomt, dat een eerlijke boer, en die op zijne zaken wel
agt sloeg, voor een verzorger en handhaver der Stad wierdt gehouden. Ten
dien opzigte is 't ook aldaar eene gewoonte, dat de Landlieden, wanneer
zij in de _Palmboom maand_, met een groot getal van wagens, geladen met
koren, naar de Stad trokken, buiten de poort door de Magistraat wierden
te gemoet gegaan, en met trompetten-geschal en 't geklank van
musiekinstrumenten, zegepralender wijze, binnen de Stad ingehaald. Ik
stond versteld op het gehoor daar van, mij te binnen brengende den staat
onzer Landlieden, zugtende onder eene harde slavernij, en welker beroep
wij meenen veragtelijk te zijn en verre beneden andere konsten, welke
niet dan voor de wellust dienstig zijn, gelijk als die der koks,
pasteibakkers, parfumeerders, dansmeesters, enz. Mijnen huiswaard gaf
ik dat eenigen tijd daar na wel te kennen, dog onder belofte van
stilzwijgen, vreezende dat de Onderaardlingen een al te slegt gevoelen
mogten opvatten van de menschen. Hij, stilzwijgen belooft hebbende,
bragt mij naar de gehoorzaal, alwaar de Lijk-reden stont te geschieden.
Ik moet bekennen niets zakelijker, waaragtiger, en 't geen meer van
allerlei vleijerij ontdaan was, ooit gehoord te hebben: en deeze
uitvaartsviering scheen mij een model te wezen, naar 't welk alle
diergelijke redenvoeringen behoorden geschikt te wezen. Eerst gaf de
Redenaar op een ontwerp der deugden van den overledenen: daar na telde
hij op deszelfs zwakheden en gebreken, met vermaninge aan de
Toehoorders, dat zij zig daar van hadden te wagten. Zoo als wij uit de
gehoorzaal traden, kwam ons een misdadige te gemoet, verzelt van drie
wagters. Dees hadt onlangs de straf aan den arm (dus noemen ze de
aderlating) bij vonnis van den Richter ondergaan, en wierdt thans naar
het publyke dolhuis gebragt. Toen ik vraagde wat de reden was van zijn
vonnis, wierdt mij geantwoort, dat hij in 't openbaar gedisputeert hadt
over de eigenschappen en het wezen Gods; 't geen daar te lande verboden
is, alwaar alle zulke neus-wijze zintwistingen voor zoo roekeloos en
dwaas worden gehouden, dat zij in schepzelen van eenen bedaarden geest
niet wel vallen konnen. Daarom is aldaar de gewoonte, deeze
scherpzinnige Redeneerders, na dat men ze heeft adergelaten, als narren
in 't publyke dolhuis te brengen, tot dat ze ophouden te kolderen. Toen
zeide ik in mij zelv': "_Ach hoe zoude 't onze Godgeleerden hier
vergaan!_ welke men alle dag hoort twisten over de hoedanigheden en
eigenschappen der Godheid, over de natuur der Geesten, en over meer
andere diergelijke verborgenheden. Wat lot was onze Overnatuurkundigen
hier beschooren, die, trots zijnde op hunne hoogdravende geleertheid,
meenen dat zij wijzer zijn dan 't gemeen, ja gelooven dat zij 't naast
aan de Goden komen. Zekerlijk in plaats van Lauwer kransen of Doctorale
Mutsen, waar mede zij in ons Land worden opgepronkt, zouden zij zig den
weg baanen naar 't dolhuis, of zij zouden schrap staan, om in 't
gasthuis te geraken."
Dit en andere zaken, die mij scheenen tegen de gezonde reden aan te
loopen, merkte ik naauwkeurig op, geduurende den tijd van mijn
leerlingschap. Eindelijk kwam de tijd, door 's Vorsten bevel bepaald,
waarop ik, uit het school naar 't Hof, met een _Testimonie_, moest
vertrekken. Ik lei mij niet anders toe dan op heerlijke loftuigingen en
goedkeuringe, steunende eensdeels op mijne eigene bekwaamheden, vermits
ik de Onderaardsche taale binnen zulken korten tijd, buiten verwagtinge,
geleert had, anderdeels op de gunst mijnes huiswaards, en der Opzigteren
alom beroemde regtvaardigheid. Eindelijk kreeg ik mijn _Testimonie_, 't
welk ik van blijdschap al beevende opende, begeerig zijnde mijnen lof
daar in te leezen, en daar uit af te neemen hoedanig mijn nootlot stont
te wezen. Dog 't leezen daar van, maakte mij gram en wanhopig. De
Brieven van voorschrijving waren van den volgenden inhoud.
"Niet willende in gebreke blijven om uwer. Doorlugtigheids bevel op te
volgen, zenden wij uwe Doorlugtigheid hier nevens toe het schepsel dat
onlangs tot ons uit een andere waereld is overgebragt, en zig zelven een
mensch noemt; na dat wij het zelve, met alle zorgen naarstigheid, in ons
School hebben doen onderwijzen. Deszelfs aart en inborst naauwkeurig
nagespeurt, en deszelfs zeden onderzogt hebbende, hebben wij hetzelve
van een redelijk goed begrip en van een zeer vaardige bevattinge
gevonden; dog van zulk een verkeerd oordeel, dat, vermits deszelfs
verstand al te vlug is, het naauwlijks onder de redelijke schepzelen
gerekent, laat staan tot eenige bediening van gewigt, behoort toegelaten
te worden. Vermits het egter door de gezwindheid zijner voeten ons alle
te boven gaat, zal het zeer bekwaam wezen om de bedieninge van
Postlooper van 't Hof met lof te komen bekleeden.--Gegeven in 't
Kweekschool te _Keba_, in de _Doorn-maand_."
Uwer Doorlugtigheids gehoorzaamste dienaars _Nehek, Jochtan, Rapafi,
Chilac._
Hier over liep ik al huilende naar mijnen huiswaard, hem op 't
nederigste biddende, dat het hem behagen mogte, zijn gezag aan te wenden
om een gunstiger _Testimonie_ van de _Karatti_ te verkrijgen, en dat hij
aan dezelve wilde vertoonen mijn Academisch _Testimonie,_ waarin ik voor
een verstandig man, en daar niets op te zeggen viel, vermeld stond. Dog
hij voerde mij te gemoet, dat dat _Testimonie_ in onze waereld zijn
waardij kon hebben, alwaar men mogelijk meer zag op de schaduwe dan op
het lichaam, meer op de bast dan op het pit; dog dat het hier, alwaar
men de zaken in haar binnenste beschouwde, van geen waardij altoos was:
voorts vermaande hij mij mijn noodlot met gedult te draagen, vooral,
wijl het _Testimonie_ nog vernietigd nog verandert konde worden:
aangezien 'er hier geen zwaarder misdaad was, dan de loftuigingen van
onverdiende bekwaamheden. Willende egter eene pleister op de wonde
leggen,
_Zeid' hij, om mijne smert een luttel te verzagten,_
_En 't meerendeel mijns druks mij, weinig te doen agten;_
_O Zoon! hoe dus beleest? een' edelaarte ziel_
_Staat pal in tegenspoet, ofschoon de hemel viel._
_Ei! 'k bid u, stoor u, niet aan 't geen u doet verbaazen,_
_En daar uw' dwaaze drift u slaaflijk op doet aazen:_
_Wat magt wat immermeer geborgen voor de Nijt?_
_Zeg wat haar felle klaauw niet wreed aan flarden rijt?_
_Men zoud' een' gantsche lijst, was 't nood, u konnen geven_
_Van Amptenaars van Staat, die jammerlijk om 't leven_
_Gebragt zijn: en 't gaat vast, me naar te hoogen staat_
_Staag reikhalst, en door 't goud zijn hart vermeest'ren laat,_
_Die wordt als hemelwaards en uit 't gezigt verheven,_
_Om door te laager val rampzaliglijk te sneeven._
Hier voegde hij bij, dat niets diergelijks, in eenen' laagen of
middelmatigen staat te vreezen stont. Wat nu aanbelangde het
_Testimonie_ der _Karatti_ dat deet zien, dat zij zeer doorzigtige en
tegelijk zeer regtvaardige Richters zijn, die nog door geschenken
omgekogt, nog door dreigementen afgeschrikt konnen worden, om een hair
breet van de billijkheid af te gaan, waarom 'er ook in die zaak geen
plaats tot kwaad vermoeden overig wierdt gelaten. Eindelijk beleedt hij
gantsch openhartig, dat hem al van over lang gebleeken was, dat ik niet
veel verstands had, en dat hij terstont uit mijne sterke memorie en
snedigheid van begrip hadt konnen afnemen, dat ik wel hout, maar geen
goed timmerhout was, en derhalven, om het weinig oordeels dat ik bezat,
niet bekwaam was tot een gewigtig ampt: zeggende, dat hij uit de
verhaalen en beschrijving van de Europische Natie geleerd hadt, dat ik,
_Gebooren in het Land der Narren,_
_Den invloed had der kwaade Starren._
Betuigende voorts met overvloed van woorden zijne genegenheid 't
mijwaarts; mij radende, dat ik zonder uitstel mij vaardig zoude maken
tot de reize. Ik volgde den raad der zes schranderen mans, vooral wijl
de nood zulks vereischte, en het mij als eene roekelooze zaake
voorkwam, om mij tegens 't bevel van den Vorst te verzetten.
Ik begaf mij dan op weg in 't gezelschap van eenige boomjes, die te
gelijk met mij uit het Kweekschool gezonden, ten zelven einde naar de
Koninglijke Stad wierden gevoert. Onze Leidsman was een bejaard man uit
het getal der _Karatti_ of Bestierders, welke, door ouderdom verzwakt
geworden, en niet wel ter been zijnde, op eenen Stier reedt: want op
eenen wagen te rijden is daar de manier niet, en dat voorregt hebben
alleen de stokoude Grijsaarts, of de gene die ziek zijn, hoe zeer ook
bij ons de bewoonders dezer Planeet, om hunnen traagen en moeijelijken
gang, daar in meer te verontschuldigen zouden zijn. Het staat mij nog
zeer wel voor, dat, wanneer ik hen eens eene beschrijving onzer
rijtuigen had opgegeven, namentlijk onzer paarden, onzer viergespannen
en koetsen, waarin wij, als gepakt zijnde, door de Stad worden gevoert,
de Onderaardlingen op 't hooren van mijn verhaal grimlachten, en vooral
toen zij hoorden dat zelfs gebuuren de een den anderen mee plegen te
bezoeken, dan in eene koets of karosse zittende, en voortgetrokken
wordende door twee sterke viervoetige Dieren. Vermits deeze met reden
begaafde boomen zeer traag van gang zijn, waren wij genoodzaakt drie
dagen op deeze reize onder weg te zijn, schoon _Keba_ van de hoofdstad
naauwlijks vier uuren aflegt: want zoo ik alleen geweest was, had ik op
eenen dag die reize afgelegt. Het gaf mij een zonderling vermaak dat ik
vrij wat beter ter been was dan de Onderaardlingen; dog 't smertte mij
al met een, dat ik om die uitnemendheid mijns lichaams tot een slegte en
veragte bedieninge verbannen zoude zijn. _Ik wenschte wel_, zeide ik,
_dat ik dat zelve gebrek aan mijne voeten had, 't geen de
Onderaardlingen hebben: nadien ik alleen daar door zoude bevrijd zijn
van de slaafagtige en geringe bedieninge, daar men mij nu toe geschikt
heeft_; 't welk onze Leidsman hoorende, mij toebeet: _ten ware de Natuur
met deeze uitnemendheid des lichaams eenigermate hadt willen goedmaken
't gebrek in uwe ziele, wij alle zouden u daar voor houden, dat gij
onnuttelijk de aarde vervulde: want om de vlugheid uwes verstands ziet
gij alleen de schil der noot en niet het pit en kern: en vermits gij
slegts twee takken hebt, zijt gij in allerlei slag van handwerk verre
beneden de Onderaardlingen_. Wanneer ik dit alles hoorde, dankte ik God
over de gezwindheid mijner voeten, ziende dat ik, zonder die
bekwaamheid, naauwlijks onder de redelijke Schepzelen zoude mogen
gestelt worden.
Op reis zijnde zag ik, niet zonder verwonderinge, dat de inwoonders
zoodanig oplettend omtrent hun werk zijn, dat niemant ophoudt met
arbeiden op het zien der voorbijgangers, of zig verwaardigt zijn gezigt
daar naar te slaan, alschoon daar omtrent iets ongewoons te zien mogt
wezen. Dog de dag ten einde, en 't werk gedaan zijnde, geven zij zig
over aan spelen en allerhande uitspanningen, met oogluikinge van de
hooge Regeering, welke die uitspanningen aanmerkende als zoo veele
steunzels voor lichaam en geest, oordeelt, dat de Schepzelen daar door
niet minder dan door spijs en drank gevoed worden. Om deeze en andere
redenen heb ik deeze reis met groot genoegen afgelegt. De gedaante der
Landstreek is, geheel en al aangenaam, verbeeld in een ronden
schouwburg, en wel in zoodanig eenen als de Natuur alleen kan te
voorschijn brengen. Overal daar de Natuur wat schaars was geweest, was
de konst der inwoonders toegeschoten, om 't gebrek te vervullen, en
dezelve waren, door de belooningen van de Magistraat daarop gestelt,
geslepen op het boeren-werk, en op de Landbouwerij; dog al wie aan zijn
Land de hand niet hieldt, wierd van zijn burgerregt verstooten, en in
eene boete verwezen. Wij trokken verscheide aanzienelijke Gehugten door,
welke, vermits ze zoo kort op malkanderen komen, het gezigt van eene
doorgaans bebouwde en aaneengevoegde Stad opgeven, en wijd en zijds een
onafgebroken gezigt uitleveren. Maar wij wierden egter eenigermate
gekweld van een soort van Bosch-aapen, die hier en daar op de wegen
warende, mij, welken zij om de gelijkheid van gedaante geloofden van hun
gedagt te zijn, niet weinig met gestadige aanvallen plaagden. Dit maakte
dat ik mijnen toorn en verontwaardiging niet konde bedwingen, vooral
toen ik bespeurde, dat deeze vertooning aan de boomen stoffe verschafte
tot lachen: want men moet weten dat ik ten Hove gevoerd wierd, op bevel
van den Vorst, met het zelve gewaad, waar mede ik op die Planeet was
overgebragt, te weten: houdende mijnen haak in de regterhand, op dat hij
daar uit zoude zien, hoedanig de opschik onzer waereld was, en in
hoedanige toerustinge ik aldaar eerst was aangeland. En die haak kwam
mij toen zeer wel te stade, als waar mede ik de Aapen, die met geheele
troepen op mij afkwamen, van mij trachtte af te weeren, schoon te
vergeefsch: want in de plaats der gevlugtte, kwamen steeds meer andere
toeschieten, zoo dat ik ieder oogenblik eenen tred moest houden, als of
ik op den vijand los ging.
VIERDE HOOFDSTUK.
_Van het Paleis des Vorsts van Potu._
Nu kwamen wij aan de koninglijke Stad _Potu_ Deeze is eene pragtige en
aanzienlijke Stad. De gebouwen zijn aldaar breeder en grooter dan te
_Keba_, en de straaten ruimer en gemakkelijker. De allereerste markt
daar wij bij kwamen, was opgepropt met een groot getal van kooplieden,
en rondom bezet met winkels van konstenaars en handwerkslieden. Op 't
midden der markt zag ik met verwondering eenen misdadiger staan met een
strop om den hals, omringt van een grooten kring der deftigste boomen,
dat een soort van raadsvergadering uitleverde. Toen ik vraagde, wat 'er
te doen was, en om welke misdaad hij verdient hadt opgehangen te worden,
daar 'er in dat land geen misdaad met den dood gestraft werdt; kreeg ik
ten antwoord, dat de misdadige was een uitvinder (project-maker) die
aangeraden hadt, eene oude gewoonte af te schaffen; en dat de omstanders
Regtsgeleerden en Raadsheeren waren, die de nieuwe uitvinding naar
gewoonte zouden onderzoeken, invoegen dat, zoo dezelve wel in orde
gebragt, en voor het Gemeenebest heilzaam bevonden wierdt, de misdadige
niet alleen ontslagen, maar zelfs beloond stont te worden; dog bij
aldien ze schadelijk voor den Staat, of de uitvinder, in 't afschaffen
van die wet zijn eigen voordeel te hebben bedoelt, bevonden wierdt, hij
alsdan den hals, als een verstoorder der gemeene rust, door den strop
stont te worden gebroken. Zijnde dit de reden, waarom 'er weinige
gevonden worden, die dat gevaar willen ondergaan, of 't afschaffen eener
wet durven aanraaden, ten ware de zaak zoo billijk en baarblijkelijk
was, dat men aan eenen goeden uitslag niet konde twijfelen. Zoo zeer
zijn de Onderaardlingen van bevattinge, dat de oude wetten blijven, en
de instellingen der voorouderen moeten onderhouden worden; want zij
gelooven, dat de Staat geschud wordt, wanneer de wetten op iemants
goeddunken verandert, of afgeschaft worden. Ten zeide ik in mij zelv':
O! wat zoude 't hier slegt staan met de uitvinders bij ons, die, onder
schijn van algemeen nut, dagelijks nieuwe wetten smeden, dienstig, niet
voor het Gemeenebest, maar wel voor bijzondere eigenbaat!