Wanneer ik nu, deeze hemelsche Schipvaart aldus afgelegd heb

DE ONDERAARDSCHE _REIS_

VAN

_KLAAS KLIM._

_Behelzende_

_EENE NIEUWE BESCHRIJVING_ VAN DEN _AARDKLOOT_,

BENEVENS DE HISTORIE DER VIJFDE,

TOT NOG TOE ONBEKENDE, _MONARCHY._

_Uit het Latijn van den Heere BARON_

_LODEWIJK VAN HOLBERG_,

_Hoogleeraar in de Historiën en Philosophie, Lid

van de Koninglijke Maatschappije der Weetenschappen,

enz, te Koppenhagen._

DERDE, VERBETERDE, EN MET GEHEEL NIEUWE PLAATEN VERSIERDE, DRUK.

_Te AMSTERDAM,_

Bij de WED. VAN ESVELDT en HOLTROP.

MDCCLXXVIII.

[Illustration]

INHOUD DER HOOFDSTUKKEN.

EERSTE HOOFDSTUK.

_Inleiding, en begin deezer Reize_.

TWEEDE HOOFDSTUK.

_Nederdaling op de Planeet Nazar_.

DERDE HOOFDSTUK.

_Beschrijving van de Stadt Keba_.

VIERDE HOOFDSTUK.

_Van het Paleis des Vorsts van Potu_.

VIJFDE HOOFDSTUK.

_Van den aart des Landschaps Potu, en van

den inborst der Natie_.

ZESDE HOOFDSTUK.

_Van den Godsdienst des Volks van Potu_.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

_Van deszelfs Staatkunde_.

AGTSE HOOFDSTUK.

_Van de Hooge schoole aldaar_.

NEGENDE HOOFDSTUK.

_Reis van KLIM om de Planeet Nazar_.

TIENDE HOOFDSTUK.

_Reis naar 't Firmament_.

ELFDE HOOFDSTUK.

_Togt naar vreemde Landen_.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

_Komst op den Kust van Quama_.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

_Oorsprong der Vijfde Monarchij_.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

KLIM _Onderaardsch Monarch_.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

_Droevige uitgang deezer Geschiedenis_.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

_Wederkomst in 't Vaderland, en einde der Vijfde Monarchij._

_Bijvoegsel van_ ABELINUS.

DE ONDERAARDSCHE REIS VAN KLAAS KLIM.

EERSTE HOOFDSTUK.

_Inleiding, en begin deezer Reize._

Na dat ik in het Jaar 1664. op de hooge school te Koppenhagen een dubbel

_Examen_ ondergaan, en aldaar met goedkeuring van de Philosophische

Faculteit had bekomen het zoogenaamde _Loffelijke_ caracter, maakte ik

mij gereed om weder naar mijn Vaderland te keeren, en begaf mij op een

schip dat zeilreê lag naar _Bergen in Noorwegen,_ pronkende met de

heerlijke _Testimonia_ van de welgemelde Faculteit; dog met eenen

ledigen buidel. Mijn noodlot was gemeen met dat der overige Noorweegsche

Studenten, die doorgaans van de Markt der Geleerdheid t'huis komen met

eene schrale beurs. Dewijl wij eenen goeden wind hadden, zeilden wij, na

eene voorspoedige reize van zes dagen, de haven van _Bergen_ in. Dus wel

geleerder, maar niet rijker, t'huis komende, bleef eenigen tijd mijne

goede Vrienden, wier hulp mij ondersteunde, op den hals hangen; leidende

juist voor 't overige geen lui of ledig leven. Want zijnde nu gewijd en

overgegeven aan de Natuurkunde, ondernam ik die wetenschap door

waarnemingen op te helderen, en de natuur en ingewanden des Aardkloots

en der Bergen te onderzoeken; doorkruipende ten dien einde de

allerafgelegenste oorden van ons Gewest. Geene rots was zoo steil, welke

ik niet tragtte te beklimmen, nog geen afgrond zoo diep of zo

afschuwelijk, waarin ik niet zogt neder te daalen, om aldaar te

doorsnuffelen of ik ook iets mogte ontdekken, waardig het onderzoek eens

Natuurkundigen. Want daar zijn in ons Vaderland zeer vele zaken, die wij

nooit gezien, of van welke wij nooit gehoord hebben; en indien ze in

Frankrijk, Italië, Duitschland, of in eenig ander Gewest, vrugtbaar in,

en pochende op zijne zeldzaamheden, gevonden wierden; wij zouden daar

van gehoord, geleezen en die bezigtigt hebben. 't Gene mij onder dezelve

't aanmerkenswaardigste voorkwam, was eene Spelonk met eene wijde en

steile openinge boven op eenen Berg, welken de inlanders _Flöien_

heeten. En wijl de opening van die Spelonk een zagt en gantsch geen

onaangenaam windje bij poozen uitgeeft, zoo egter, dat zij als door

geduurige snikken, nu haaren mond schijnt te openen, dan wederom dien te

sluiten; dagten de Geleerde Bergenaars, en vooral de vermaarde

_Abelinus_ en de Conrector der Schoolen aldaar, de Groote _Eduard_, dat

heldere licht beide in de _Sterre-_ en _Natuurkunde_, dat dit eene zaak

was waardig het onderzoek en de naspeuringen der Wijsgeeren; en hadden

zelfs meenigmaal hunne Landsluiden, vermits zij zelve door hunne hooge

jaaren daar in belet wierden, aangespoort, om de natuur en eigenschap

deezer Spelonk wat nader te onderzoeken: voornamentlijk nadien dezelve,

als op gezette tijden, en even als een mensch, die zijn adem haalt, den

ingehaalden wind met geweld wederom uitgaf.

Ik dan, zoo door hunne redenen, als uit mijnen eigen aart, aangespoord,

ondernam in deezen afgrond neder te daalen, en gaf mijn Voornemen aan

eenige mijner Vrienden te kennen. Dog mijne onderneming mishaagde hen

ten hoogsten, en zij kreeten die uit voor den toeleg van een uitzinnig

en wanhoopig mensch. Dog alle die vermaningen konden mijne driften niet

vertraagen, veel min afwenden, en 't geen de vuurigheid in mijn

ontsteken brein hadt moeten uitblussen, diende niet anders, dan om

dezelve nog des te meer te doen blaken; aangezien de brandende drift die

ik had, om zaken in de Natuur te ontdekken, mij aanzettede, om alle

gevaren te ondergaan: waar bij nog kwam, dat de schrale beurs de sporen

gaf aan een paard dat van zelf op den loop was. 't Hammetje was tot

mijnent gekloven; en langer in mijn Vaderland, alwaar mij alle hoop van

voort te komen was afgesneden, van eens anders brokken te leeven, was

eene zaak, daar ik tegen op zag: ik scheen tot den bedelzak voor altoos

verwezen, en de weg tot eerampten en goederen gesloten, ten ware ik door

't een of 't ander heldenstuk beroemd wierd. Met een vast voornemen

dan, en voorzien van al wat tot den aanslag noodig was, stapte ik, op

eenen donderdag, met schoon en helder weêr, ter stad uit, in 't krieken

van den dag, op dat ik, mijn werk verrigt hebbende, nog voor den donker,

weder zoude konnen binnen de poort komen: want weinig wetende wat mij

over 't hoofd hing, kon ik niet voorzien dat ik als een andere Phaëton

nederwaards te tuimelen, en, na lang dwalens door de lugtstreeken, als

in eene andere Waereld geschopt, niet dan na een tienjaarig omzwerven

weder mijn Vaderland en Vrienden stont te zien.

't Was dan in 't jaar '665. dat ik deezen togt ondernam: geduurende 't

Burgermeesterschap van _Johan Munte_ en _Laurens Severini_: Raden

zijnde: _Christiern Bartholdi_ en _Laurens Scandius_. Op mijne reize

wierd ik verzelt door vier, die daar toe gehuurd waren, en die de touwen

en haaken, welke mij in 't afklimmen noodig waren, mede droegen. Wij

namen den weg regt toe op _Sandwijk_, alwaar men gevoeglijkst den berg

opklimt: boven op den top des bergs geklautert, en ter plaatze gekomen

zijnde alwaar dat noodschikkelijk hol was, zaten wij, vermoeid zijnde

van de ongemakkelijke reis, wat ter neder, en namen het ontbijt. Toen

begon mij 't hart, als door een voorspook van het aanstaande ongeluk

voor de eerste maal beklemt te worden. Keerende mij derhalven naar mijne

Makkers, vraagde ik hen, of 'er iemand lust hadt, om op deezen togt de

eerste te wezen? Dog wijl niemand daar op antwoordde, voelde ik mijne

verflaauwde drift op nieuw, ontbranden: ik gebood hen het touw om mijn

lijf te binden, en dus reisvaerdig staande, beval ik mijne ziel aan God.

Staande nu gereed om neder te daalen in de Spelonk, onderrigtte ik mijne

makkers, wat zij vervolgens hadden te doen: namentlijk dat zij het touw

maar hadden te laaten schieten, tot dat zij mij zouden hooren roepen, op

welk teeken zij het touw moesten, ophouden, en, ingevalle ik bleef

roepen, mij schielijk uit het hol ophaalen. Ik hield in mijne regterhand

eenen haak, welken ik noodig had, om, zoo 'er in 't nederdaalen eenige

beletzelen zig opdeeden, die uit den weg te ruimen, en mijn lichaam

vlak in 't midden des hols te houden. Maar naauwelijks was ik tien of

twaalf ellen nederwaards gedaalt, of het touw brak aan stukken. Dat

ongeluk vernam ik door het daarop volgende geschreeuw en gehuil der

huurlingen; dog 't geen welhaast verdween: want ik viel met eene

ongelooflijke snelheid in die diepte, en even als een andere Pluto:

alleen met dat onderscheid, dat mijn haak mij voor een scepter diende.

Ik tuimelde dan nederwaarts, en de gespleten aarde baande mij den weg

ten afgrond.

Omtrent den tijd van een kwartier-uurs, voor zoo veel ik in die

gemoedsgesteltheid kon gissen, had ik mij bevonden in een dikke

duisternisse en in eenen gestadigen nagt, wanneer eindelijk een flaauw

licht, niet ongelijk aan 't eerste schemerlicht des dags, begon te

flikkeren, waar op terstont een heldere en klaare lucht doorbrak. Ik

beeldde mij dan dwaaslijk in, dat ik, of door de wederstuiting der

onderaardsche licht-deelen, of door de kragt eens tegenwinds te rug was

gekaatst, en dat die Spelonk mij met verdubbeling haarer ademhaaling

als weder op den Aardbodem hadt uitgespogen. Dog zoo wel de Zon welke ik

toen zag, als de Lugthemel en de overige Gesternten waren in mijne oogen

onbekende Verschijnselen, aangezien de gene welke ik thans beschouwde,

kleinder waren, dan die zig aan ons uitspansel vertoonen. Ik stelde

derhalven vast, of dat het gantsche stelsel van dien nieuwen hemel

bloote harssenschimmen waren, veroorzaakt door de zwijmeling mijns

hoofds, of ik waande bereids dood te zijn, en tot de verblijfplaatzen

der gelukzaligen overgedraagen te worden. Maar korts daar na ziende mij

zelven voorzien met eenen haak, en dat mij de lange slenter van het touw

nasleepte belachte ik dat laatste gevoelen; al te wel bewust zijnde dat

men op de reize naar 't Paradijs geenen haak nog touw noodig heeft, en

dat de hemellingen geen behagen konnen scheppen in eenen opschik,

waarmede ik, naar het voorbeeld der Reuzen, kon schijnen den hemel te

bestormen, en de goden van daar te willen verdrijven. Eindelijk, na

ernstige overweginge, viel ik in dat begrip, dat ik in den

onderaardschen hemel was overgevoerd, en dat niet dan al te waar waren

de gissingen der gener die stellen, dat de Aardkloot hol is, en dat 'er

onder deszelfs korst eene andere Waereld, kleinder dan de onze, en een

andere Hemel, door eene Zonne, Sterren en mindere Planeten

onderscheiden, gevonden worden. En de uitkomst deedt zien, dat ik den

spijker op 't hooft had geslagen.

De geweldige aandrang, waar mede ik naar beneden wierd gevoert, hadt nu

al eenigen tijd geduurt, wanneer ik eindelijk bespeurde dat die

allengskens verflaauwde, naar mate dat ik eene Planeet, ofte wel eenig

ander hemelsch lichaam 't geen ik in 't nederdaalen ontmoette, nader

kwam. Die zelve Planeet begon allengskens zoo groot te worden, dat ik

eindelijk door eenen dikken dampkring, waarmede zij omringd was, in

dezelve bergen, dalen en zeeën zonder moeite konde onderkennen.

_Gelijk de Zee-meeuw langs de baaren_

_De steile rots en 't bogtig strand_

_Gestadig om en om gaat waaren,_

_En leeft in zee en op het land;_

_Zoo zweefd' ik tusschen aard' en hemel,_

_En zag zelfs 't onderaardsch gewemel._

Toen bespeurde ik ook, niet alleen dat ik was hangende en als zwemmende

in de lugt, maar ook dat de beweging van mijn lichaam, die tot nog toe

regt nedergaande was geweest, begon krings-gewijs te worden. Hier over

reezen mij de hairen te berge, vreezende dat ik in eene Planeet ofte

eenen wagter van eene daar aan nabuurige Planeet zoude worden hervormt,

om tot in alle eeuwigheid in eenen geduurigen kring te worden omgevoert.

Maar toen ik bedagt, dat mijne agtbaarheid door zoodanige

gedaantverandering niets stont te verliezen, en dat dat hemelsch

lichaam, of deszelfs wagter ten minsten in gelijke waardigheid zoude

staan met die van eenen bedel-student in de Wijsgeerte, schepte ik weder

moed: vooral, wijl ik mij zelven door de hulp van een gezuiverder en

hemelscher lugt, waar in ik was zweevende, nog door dorst nog door

honger gepraamd vond. Toen ik mij egter te binnen bragt, dat 'er brood

in mijnen zak was (de Bergenaars noemen het _Bolken_, dat doorgaans

langwerpig en van eene ei-ronde figuure is) nam ik voor, dat uit mijnen

zak te nemen, en te onderstaan, of 't mij ook in dien toestand van zaken

nog smaken zoude. Maar straks bij de eerste beete ondervindende dat alle

aardsch voedzel mij eene walging veroorzaakte, wierp ik dat weg, als

eene zake die nu nergens toe nut was. Dog 't weggeworpen brood bleef, ô

wonder! niet alleen in de lugt hangen; maar begon eenen kleinen kring

rondsom mij te maken. Zedert dien tijd begon ik te verstaan de

waaragtige wetten der beweeging, waar door alle zaken in evenwigt

gesteld zijnde overslaan tot eene krings-beweging. Dit bragt te weeg,

dat, daar ik mij zelven nog onlangs had aangemerkt als de speelpop der

Luk-Godin, ik thans begon te zwellen van hoogmoed, ziende mij zelven aan

niet alleen als eene gemeene Dwaalsterre, maar wel als zodanig eene, die

gestadig omringd was van haaren wagter, dermaten, dat ik onder de

grootste Sterren of ten minsten onder de Planeten van den eersten rang

konde worden gerekent. En om mijne zwakheid niet te verzwijgen, ik

wierd bevangen van zoodanig eenen hoogmoed, dat, bijaldien ik alle de

Burgermeesters en Raden van _Bergen_ te gelijk was tegen gekomen, ik ze

over schouder aangezien, voor verzeltjes gerekent, en niet waardig zoude

hebben geoordeelt, dat ik ze gegroet, of mijnen haak voor hen zoude

hebben laaten zakken.

In dien toestant bleef ik bijna drie volle dagen. Want aangezien ik

omtrent de Planeet die mij de naaste was zonder ophouden zweefde, kon ik

de dagen uit de nagten niet onderkennen, ziende de onderaardsche Zonne

nu eens op dan weder ondergaan, en buiten mijn gezigt verdwijnen, schoon

ik nooit nagt, zo als die bij ons is, gewaar wierd. Want met het

ondergaan der Zonne, vertoonde zig aller wegen het heldere en

purperverwig uitspansel, niet ongelijk aan 't schijnsel der Maan, 't

geen ik oordeelde de binnen-zijde der korst of des halfronds van den

onderaardschen Aardbodem te zijn, welke dat licht van de onderaardsche

Zon, geplaatst in 't middel-punt deezer Waereld, ontleende. Deeze

veronderstelling maakte ik mij, als een man die niet geheel en al

onbedreven was in de kennisse van de Natuur-kunde der hemelsche

lichamen. Dog terwijl ik dagt, dat ik met dat geluk nabij den staat der

goden was, en mij zelven beschouwde als een nieuw Gesternte, dat met

deszelfs wagter, waar mede het omringd wierd, nu eerlang van de

Sterrekijkers der naaste Planeet op de naamrolle der Sterren stondt te

worden gestelt; zie daar! een nieuw gevleugeld wangedrogt, dat nu eens

mijne regter-, dan mijne linkerzijde, dan wederom mijn hoofd dreigde.

Met den eersten opslag dagt ik niets anders, of het was een uit de

twaalf onderaardsche Hemelteekenen, wenschende daarom, zoo anders mijne

gissing waar was, dat het de Maagd mogte weezen, aangezien alleen dit

teeken (te weten de Maagd) uit het gantsch zamenstelsel der twaalf

teekenen in die eenzaamheid, eenige hulp en troost aan mij konde

toebrengen. Dog toen mij dat lichaam wat nader bij kwam, bevondt ik dat

het een vervaarlijk groote Griffioen was. Toen wierd ik met zoodanig

eene vreeze bevangen, dat ik, vergetende mij zelf en mijne gesternde

waardigheid waar toe ik onlangs was overgebragt; mijn Academisch

_Testimonie_ 't welk ik bij geval in mijnen zak had, daar uit haalde, om

het mijnen vijand voorde neus te leggen, en hem te toonen, dat ik mijne

Academische _Examens_ had ondergaan; dat ik een Student, en wel een

_Baccalaureus_ was, die, wat voor eene buitenpartij mij ook mogte

bejegenen en aandoen, het regt had, deszelfs geregts-dwang als

onbehoorlijk te verwerpen. Dog die eerste drift wat verkoeld zijnde, en

na dat ik tot mij zelven was gekomen, belachte ik mijne dwaasheid. Nu

stondt het nog te bezien met wat oogmerk mij die Griffioen verzelde: of

hij vijand was, of vriend; dan of hij enkel en alleen vermaak scheppende

in de ongewoonheid der zake, nader komende alleenlijk zijn oog wilde

verlustigen. Want het gezigt van een menschelijk lichaam in de lugt

rondom draaijende, en in de regterhand eenen haak houdende, en eenen

langen slenter van een touw als eenen staart agternaslepende, was een

verschijnsel, 't geen ieder onvernuftig dier tot deszelfs beschouwinge

konde aanlokken: ja die ongewoone figuur, welke ik toen vertoonde,

heeft, zoo als ik naderhand vernam, gelegenheid gegeven aan de

bewoonders van den Aardbol, rondsom welken ik zweefde, tot verscheide

redeneringen en gissingen. Want de Wijsgeeren en Wis-konstenaars meenden

dat ik eene staartsterre was, en namen het stuk touws voor den staart.

Ook ontbraken 'er geene, die oordeelden dat met een zoo ongewoon

hemelschijnsel eene aanstaande plage, 't zij Pest, Hongersnood, of

eenige andere aanmerkelijke veranderinge gedreigt wierdt. Eenige gingen

nog verder, en teekenden mijn lichaam, zoodanig als zij 't van verre

hadden beschouwd, zeer naauwkeurig uit: invoegen ik al beschreven,

omschreven, uitgeschildert en in 't koper gesneden was, eer ik nog eenen

voet op dien aardbol gezet had. Dat alles heb ik niet zonder lachen en

vermaak konnen aanhooren, zoo haast als ik, in deeze Waereld

overgebragt, de onderaardsche taal geleert had.

Dog staat te letten, dat 'er ook onverwagt opkomende Sterren zijn, bij

de onderaardlingen _Sciscisi_, dat is gehairde, geheeten, welke van hen

beschreven worden schrikkelijk te zijn door haar bloedig hair, en op de

borstelige kruin als een soort van lang hooft hair te hebben: in voegen

haar de maane op de wijs van eenen langen baard overeind staat. Hiervan

daan worden ze aldaar niet minder dan in onze Waereld onder de hemelsche

wonderteekenen gerekent.

[Illustration]

Dog, om 't weder op te vatten daar wij 't gelaten hebben, de Griffioen

was mij nu zoo na gekomen dat hij mij al bereids met het slaan zijner

wieken begon te raken en eindelijk verscheide neepen met zijnen bek in

mijn been begon te geven. Dit was de reden, dat ik dat strijdbaar dier

gewapenderhand begon te bespringen; en nemende mijnen haak met beide

mijne handen, bedwong ik mijns vijands stoutheid, noodzakende hem

ettelijke maalen te wijken; en eindelijk, toen hij voortging met mij te

sarren, na een en andermaal te vergeefs op hem gestooten te hebben,

dreef ik den vogel met zoodanig een geweld den haak tusschen beide de

wieken, dat ik 'er hem niet weder konde uittrekken. De vogel, zig gewond

voelende; maakte een afgrijsselijk gedruis, en stortte van boven neder

op den Aard-bol: en ik, die nu al verdriet begon te krijgen in mijnen

gesternden staat en nieuwe waardigheid, welke ik, gelijk het doorgaans

gaat, had gezien te weezen bloot gestelt aan menigerlei gevallen en

gevaaren

_Wierd weggesleept: en 't was des Vogels welbehagen_

_Mij tot aan 't Sterr'-gewelf in zijnen vlugt te dragen:_

_En na dees verre reis rukt hij mij naar een grond,_

_Waar van men nooit iets las, en dien nooit iemand vondt,_

_Niet anders was mijn val, als die, wanneer een Sterre_

_Schijnt uit het Hemel-dak te tuimelen van verre,_

_En neêr te storten op ons Aardrijk: daar verschiet_

_Een' Sterre, zegt het volk; maar 't weet de reden niet._

En aldus wierdt de kringswijze beweging, hier boven gemeld, in eene

regtstandige beweginge verandert.

Aldus dan met eenen grooten aandrang voortgesleept en door de

ontmoetende deeltjes van een verdikter lugt, welkers gehuil mij de ooren

deedt tuiten, als gestadig voortgezweept wordende, viel ik eindelijk

zagtjes, en zonder mij te bezeeren, op dien Aardbol neder te gelijk met

den vogel; dog die eerlang aan zijne wonde kwam te sterven. Het was nagt

toen ik op deese Planeet kwam, 't geen ik alleenlijk konde afnemen uit

de afweezigheid der Zonne; dog geenszins uit de duisternisse, vermits

het aldaar nog zoo licht was, dat ik mijn Academisch _Testimonie_

duidelijk kon zien te leezen. Dit nagt-licht komt voort uit het

uitspansel of de binnenwaardsche korst der Aarde, welkers halfrond een

schijnsel van zig geeft, even als de Maan bij ons doet: zulks, zo 't

alleenlijk op 't licht aankomt, 'er alhier weinig onderscheid is

tusschen dag en nagt, als alleenlijk dit, dat de Zon afwezig is, en dat

door deszelfs afwezen, de nagten kouder zijn.

TWEEDE HOOFDSTUK.

_Nederdaling op de Planeet Nazar._

Wanneer ik nu, deeze hemelsche Schipvaart aldus afgelegd hebbende,

behouden en onbezeert op dien Aardbol was neergedaald (want de vaart

welke de Griffioen in 't begin maakte, begon met het afnemen zijner

kragten allengskens te minderen) lei ik eenen tijd lang als

onbeweeglijk, afwagtende wat mij, als 't dag geworden was, zoude mogen

bejegenen. Toen bevond ik dat de voorige zwakheden mij weder bijkwamen,

en dat ik zoo wel slaap als spijze nodig had; invoegen 't mij begon te

spijten dat ik het brood hadde weggeworpen. Een diepe slaap dan begon

mij, door verscheidene angstvalligheden en kwellingen afgemat zijnde, te

bekruipen. Nu had ik, naar gissinge, twee uurtjes leggen ronken, wanneer

een afschuwelijk geloei, dat lang mijn rust gestoort hadt, eindelijk mij

geheel en al den slaap verdreef. Veele wonderlijke gezigten hadden mij

bereids, terwijl ik nog sliep, in de zinnen leggen maalen. Mij dagt ik

was in Noorwegen wedergekeerd, en verhaalde aldaar aan mijne landslieden

't geene mij bejegent was. Ik beelde mij in, dat ik in de kerk te Fanoe

niet wijd van de Stad af was, en dat ik aldaar den Diaken _Niclaas

Andriesz_ hoorende zingen, het gehuil zijner stemme, gantsch onaangenaam

en als naar gewoonte, in mijne ooren klonk: waarom ik wakker wordende

geloofde, dat het gebalk van dien kaerel mij in mijnen slaap gestoort

hadt. Maar toen ik niet wijd van mij af eenen Bul zag staan, bevroedde

ik wel, dat deszelfs gebulk mijne rust had afgebroken. Slaande daarom al

bevende mijne oogen rondom, zag ik met het opgaan der Zonne allerwegen

grazige velden en vrugtbaare akkers. Daar deeden zig ook boomen op;

maar, wonderlijk gezigt! zij waren beweegbaar, hoe zeer het ook zulk een

stil weêr was, dat zelfs het allerligtste veêrtje zig niet verroerde.

Wanneer nu de loeijende Bul regt toe op mij aankwam, zogt ik, al

bevende, naar een goed heenkomen; en ziende in die bevreestheid eenen

boom, niet verre van mij afstaande, trachtte ik daar op te klauteren.

Maar toen ik daar mede bezig was, begon hij een fijn stemmetje van zig

te geven, dog scherp, en even zodanig als dat van een gramstoorig wijf,

en terstond daar op kreeg ik al met eenen uit der lengte zulk eene

oorvijg, dat ik in zwijm rakende op mijn neus viel. Door deezen klap als

door eenen donderslag getroffen, en door vrees eenen tijd lang beteutert

leggende, hoorde ik allerwegen gebons en geraas, even gelijk men

doorgaans hoort in de Vleeschhal, of op de Beursen der kooplieden,

wanneer 't aldaar op zijn drukste is. Na dat ik mijne oogen geopent had,

zag ik dat het gansche bosch rondom mij leevendig, en het veld met

groote en kleine boomen beslagen was, daar men 'er even te vooren slegts

zes of zeven hadt konnen tellen. Het is bijna onmogelijk uit te drukken,

hoedanig alle deeze dingen mij de harssenen ontstelden, en hoe zeer ik

door alle deeze guichelarijen als in de ziel beroerd wierd. Nu dagt ik,

wakker zijnde, te droomen: dan, dat ik van de spooken geplaagd, en door

Heintje Pik bezeten wierd: dan wederom beeldde ik mij nog iets

wanschikkelijkers in. Dog ik had den tijd niet om alle deeze konst

werktuigen en derzelver oorzaken te onderzoeken: want een andere boom

terstont toevliegende, stak eenen tak uit, welkers uiterste met zes

botten, als met zo veele vingers was voorzien. Hier mede greep hij mij,

ligtte mij op van de aarde, en voerde mij, die niets deed dan

schreeuwen, van daar weg, onder 't gezelschap van een onnoemelijk getal

boomen van allerlei soort en grootte, die een geluit en gegons uitgaven,

dat wel naar eene taal geleek, dog die egter vreemd was voor mijne

ooren; zoo dat ik daar van niets anders dan de woorden _Pikel Emi_,

vermits dezelve dikwils herhaald wierden, hebbe konnen onthouden.

Eerlang hoorde ik dat die woorden zeggen wilden: een Aap van eene

ongewoone figuur: want uit de gedaante en opschik van mijn lichaam

gisten zij dat ik een Aap was, schoon in 't soort een weinig

verschillende van de Meerkatten welke in dit Land vallen. Andere hielden

mij voor eenen inwoonder van het Firmament, welken zij dagten dat de

Vogel door de lugt aldaar gebragt hadt; 't geen eertijds door de

Jaarboeken van dien Aardbol bevestigt wierdt meer geschied te zijn. Dog

alle die dingen vernam ik niet, dan eenige maanden daarna; en na dat ik

de onderaardsche taal was magtig geworden: want in dezen tegenwoordigen

toestand van zaaken had ik door vrees en gemoeds-onsteltenis mij zelf

vergeten, geen bezef konnende maaken, wat ik van die levende en

sprekende boomen had te denken, nog waar toe deeze omgang, die traag met

eenen langzaamen tred voortging, dienen mogte: want die boom, op welken

ik voor den Stier vlugtende had willen klimmen, was de huisvrouw van den

Richter der Stad, die mede in de naaste Stad Richter was, en de

waardigheid der beledigde persoon verzwaarde de misdaad: want het scheen

dat ik, niet een slegt vrouwspersoon of van 't geringste slag, maar eene

Matroone van den eersten rang opentlijk had willen zoeken tot mijne

_Devotie_ te krijgen. Dit was een ongemeen en afgrijselijk schouwspel

voor zulk eene zedige en eerbare Natie. Eindelijk kwamen wij in de Stad

werwaards ik gevangen gebragt wierd. Dezelve pronkte niet minder door

pragtige gebouwen dan door de sierlijke orde en evenredigheid der

wijken, buurten en straaten. De huizen waren zoo hoog en aanzienlijk

dat ze naar toorens geleeken. De straaten waren vol wandelende boomen,

welke door 't laten zakken haarer takken zig in 't ontmoeten onderling

begroeteden, en hoe lager zij hunne takken lieten vallen, hoe grooter

bewijs zulks was van eerbied en onderwerpinge: invoegen dat een

eike-boom ter zelver tijd komende uit een aanzienlijk huis, op deszelfs

gezigt, alle overige boomen hunne meeste takken hangen latende, agter

uit gingen: waar uit men konde opmaken, dat die eik wat meer dan gemeen

was. En 't leet niet lang of ik vernam dat hij de Richter der Stad was,

en wel die zelve, wiens huisvrouw voorgaf door mij beledigt te zijn.

Terstont wierd ik naar boven in dezes Richters huis gebragt, alwaar van

stonden aan de deur wierd agter mij gesloten en gegrendelt, waarom ik

mij zelven begon aan te merken, als verwezen tot het rasphuis. 't Geen

deeze vreeze kragtig in mij vermeerderde was, dat 'er drie wagters als

op schildwagt voor de deure wierden geplaatst, elk gewapent met zes

bijlen, naar 't getal haarer takken: want zo veele takken al zij hadden,

waren zoo veele armen, en zoo veele botten, zoo veele vingers. Ik

bemerkte dat boven op de stammen hoofden stonden, niet ongelijk aan die

der menschen, en in plaats van wortels zag ik twee voeten die zeer kort

waren, waar door het komt, dat de Inwoonders deezer Planeet kroopen als

slakken; zulks dat indien ik niet geboeid was geweest, het mij ligt

zoude hebben gevallen hen te ontsnappen, mits ik, vlugger ter been

zijnde, hen scheen te vliegen.

[Illustration: Een Portuaansch Inwoner]

Om mijn verhaal kort te maaken: ik kon nu klaar bespeuren dat de boomen

de Inwoonders deezes Aardbols waren, en dat dezelve waren begaaft met

redelijk verstant: en ik verwonderde mij over de verscheidenheid, waar

mede zig de Natuur in 't formeeren der bezielde wezens schijnt te

verlustigen. Deeze boomen komen in grootte geenszins bij de onze,

aangezien de meeste de gemeene lengte van een mensch niet overtreffen,

en eenige nog zelfs daar onder waren; men zou die genomen hebben voor

bloemen of planten, en ik zag dezelve aan voor kinderen. Wonderlijk is

't, in hoedanigen doolhof van gedagten mij die verschijnzelen

vervoerden, hoe veele zugtingen zij mij gekost, en hoedanig verlangen

naar mijn lieve Vaderland zij in mij hebben doen opkomen. Want alhoewel

mij die boomen gezellig scheenen, 't geluk hadden, om zig van eene taal

te bedienen, en met een soort van reden begaafd te zijn, zoo dat ze

eenigermaten onder de redelijke Schepzelen konden worden gerekent; egter

twijfelde ik, of zij met menschen konden worden gelijk gestelt, en ik

kon niet zien dat de geregtigheid, de goedertierenheid, en andere

zedelijke deugden onder hen gevonden wierden. Door deeze onrustige

gedagten geslingert wordende, voelde ik dat mijne ingewanden beefden; en

uit de bronnen mijner oogen vloten als rivieren van traanen over mijn

aangezigt. Dog terwijl ik aldus mij overgaf aan de droefheid, en toen ik

als een wijf stont te huilebalken, traden mijne wagters in mijne kamer,

welke ik, uit hoofde der bijlen die zij droegen, niet anders dan voor

beulen konde aanzien. Deeze vooruitgaande wierd ik de Stad door naar een

voornaam huisgebragt, staande in 't midden der Stad. Ik beeldde mij

zelf toenter tijd in, dat ik Dictator geworden was, en hoger gezag had

dan een Burgermeester van Rome: aangezien 'er slegts twaalf bondelbijlen

voor de Burgermeesters wierden gedragen, daar ik 'er met agttien omringd

was. Aan de poort van het gebouw, werwaards ik gebragt wierd, stond het

stantbeeld der Justitie uitgehouwen in de gedaante eenes booms, houdende

met een haarer takken eene Weegschaal. Het beeld zelf geleek eene Maagd,

stuurs van aanzien, scherp van gezigt, aanzienlijk, niet door eene

lafhartige of wreede, maar door eene zekere ontzachelijke somberheid.

Dit deedt mij klaar zien, dat hier de Raadsvergadering gehouden wierdt.

Gebragt zijnde op het Raad huis zelf, welkers vloeren met ingeleide

marmersteen pronkten, zag ik aldaar eenen verhevenen boom in een verguld

gestoelte als op den Richterstoel, met twaalf bejaarde bijgevoegde

Raadsheeren, die in eene welgeschikte orde en in even zoo veele

gestoeltens aan de regter- en slinker-hand des Presidents geplaatst

waren. De President zelf was een Palmboom boom van een middelmatige

hoogte, welken de verscheidenheid zijner bladeren, die met allerlei

kleuren geverft waren, boven de andere Richters aanzienlijk maakte. Aan

beide zijne zijden stonden Deurwaarders, wel tot vierentwintig in getal,

welke ieder gewaapent waren met zes bijlen. Een schouwspel, dat

schrikkelijk in mijne oogen was, mits ik uit deezen gewapenden toestel

deeze Natie voor bloeddorstig hield. De Raadsheeren op mijne inkomste

opstaande, verheften hunne takken hemelwaards, welke Godsdienstige daad

verrigt hebbende, gingen zij wederom zitten. Na dat zij alle

nedergezeten waren, wierd ik in 't midden tusschen twee boomen voor de

balie gebragt, welkers stammen met schapenvagten rondom bekleed waren.

Ik zag ze aan voor Advocaten; en zij waren 't ook inderdaad. Alvorens

zij hunne pleidooien begonnen, wierdt des Presidents hooft met

verscheide zwarte deekens bewonden. Daarop begon de aanlegger eene

beknopte redenvoering te doen, welke hij tot drie maalen toe herhaalde,

en wierd met gelijke kortheid door den verweerder beantwoordt. Op hunne

pleidooijen volgde een stilzwijgen van een halfuur. Toen stont de

President, na dat hem het deksel van 't hoofd was afgenomen, op, en

andermaal zijne takken hemel waards heffende, sprak hij eerbiediglijk

eenige woorden, welke ik oordeelde mijn vonnis te behelzen: want niet

zoo haast hieldt hij op van spreeken, of ik wierd weder te rug gebragt

naar mijn oude rasphuis, zulks ik mij niet anders voorspelde, dan

eerlang uit deeze bewaarplaats aan de geesselpaal te zullen worden

gezet. Aldaar alleen gelaten, na dat ik mij al het voorgevallene had te

binnen gebragt, belachte ik de dwaasheid dezer Natie: want het scheen

mij toe, dat zij veel eer een tooneelspel hadden gespeelt, dan Justitie

geoeffent, en alles 't geen ik had gezien, aangaande hunne gebaarden,

opschik, wijze van procedeeren enz, geleek eerder naar openbaare spelen

of klugten van Tooneelspeelders, dan naar staatige Gerichtsplaatzen.

Toen was het ook dat ik het geluk onzer Waereld, en de

voortreffelijkheid der Europische Natie boven dat van alle andere

Volkeren roemde. Maar schoon ik de domheid en dwaasheid deezer

onderaardsche Natie veroordeelde, moest ik egter al met een bekennen,

dat zij te onderscheiden waren van het onvernuftige Vee: want de

schoonheid hunner Stad, de evenredigheid der gebouwen, en veele andere

zaken gaven klaar te kennen, dat deeze boomen niet ontbloot waren van

redelijk verstand, en niet geheel en al onbedreven in konsten en

wetenschappen, vooral der konstwerktuigen. Dog ik was van gedagten, dat

in dit land alle deugd en voortreffelijkheid ophielden.

Terwijl ik aldus bij mij zelf sprak, kwam 'er een boom met een Lancet in

de hand, welke mij mijne borst ontblootende, en mijnen eenen arm

opgestroopt hebbende, volmaaktelijk naar de konst aderliet. Na dat hij

daar uit zo veel bloed getrokken hadt, als 'er scheen vereischt te

worden, leide hij, met geen minder handigheid, het verband. Dus zijn

werk gedaan, en 't bloed naauwkeurig bekeeken hebbende, vertrok hij,

zonder een woord te spreeken, als opgetogen in verwondering. Alle deeze

dingen versterkten mij in 't gevoelen 't geen ik wegens de dwaasheid

deezes Volks had opgevat. Dog zoo haast was ik de onderaardsche taal

niet magtig, en alles mij nader beduid geworden, of de veragting

veranderde in verwondering. De manier van procedeeren welke ik

onbedagtelijk veragt had, wierdt mij aldus uitgelegt: uit de gedaante

van mijn lichaam hadden zij mij aangezien voor een inwoonder des

Firmaments. Ik was hen voorgekomen als zulk een die eene eerlijke

Matroone van den eersten rang had willen geweld aandoen. Over deeze

misdaad was ik als schuldig naar de Vierschaar gesleept. De eene

Advocaat had mijne misdaad zeer verzwaard, en daar over straffe

gevordert ingevolge de wet: dog de ander had juist wel de straf niet

verbeden; maar aangeraden dezelve uit te stellen, tot dat het bekend was

geworden, wie, hoedanig, en waar van daan ik was; en of ik een beest of

redelijk schepzel was. Verders vernam ik dat het opsteeken der takken

een gewoonlijk Godsdienstig bedrijf was, eer men tot beslissing eener

zaak, overging. De Advocaten waren met schapen-vagten bekleed, op dat

zij gedagtig zouden zijn der onnozelheid en der opregtigheid in 't

bedienen van hun beroep. En inderdaad zijn ze alle vroome en opregte

luiden: waar uit het blijkt, dat 'er in eenen welgestelden Staat vroome

en eerlijke Advocaten konnen zijn. Tegen de gene die haaren pligt niet

betragten, zijn zoodanige strenge wetten afgekondigt, dat 'er voor

vitteren en bedrog geen dekmantel te vinden is, dat 'er geen afbidden

van trouwloosheid, geen berging voor de lastertaal, geen huisvesting

voor oneerbiedig spreeken, nog geen uitvlugt voor loopjes meer is

overgebleven. De woorden driewerf te herhaalen plagt te geschieden om de

traagheid in 't bevatten, waar in de Inwoonders deezes Aardskloots van

alle andere Volkeren worden onderscheiden: want maar weinige was het

gegeven te verstaan 't geen zij ter loops geleezen hadden, of te

begrijpen 't geen zij maar eens gehoord hadden. De gene die aanstonts

een ding begreepen, wierden gehouden ontbloot te wezen van gezond

oordeel, en daarom wierden dezelve zeer zelden toegelaten tot hooge en

gewigtige bedieningen: aangezien men aldaar op de proef hadt

ondervonden, dat de Staat in gevaar was geweest onder 't bestier der

gene, die van een zeer vaardig begrip waren, en die gemeenlijk

schrandere geesten genoemt worden: maar dat de langzaame van begrip, en

die, bij veragtinge, domkoppen worden geheeten, weder te regt gebragt

hadden, 't geen de eerstgemelde hadden in de war gesmeten. Alle deeze

dingen waren mij zo veele wonderspreuken, dog na ernstig onderzoek,

scheenen ze mij zoo vreemd niet. Maar allermeest was ik verwondert over

de voorvallen van die de Presidents plaats bekleedde: (want men moet

weten dat die eene Maagd was, gebooren in die Stad, en van den Souverain

aangesteld tot _Kaki_ of Oppersten Richter in de Stad:) want bij dit

volk word geen onderscheid altoos van kunne gemaakt in 't uitdeelen der

eerampten, maar eene verkiezing gedaan zijnde, worden de zaken, rakende

het Gemeenebest, den waardigsten toebetrouwd. Om nu naar behooren van

eens ieders bekwaamheden en gaven te oordeelen, zijn 'er kweek-schoolen

aangelegt, welker Opzienders of Bestierders genoemd worden _Karatti_:

('t woord wil eigentlijk te kennen geven Onderzoekers of Naspeurders).

Deezer werk is, de bekwaamheid en kragten van een iegelijk te

onderzoeken, den aart en inborst der jeugd in den grond in te zien, en

na gedaan onderzoek aan den Souverain jaarlijks op te leveren eene

naam-lijst der gene, die tot Staats-ampten konnen worden toegelaten; en

daar bij te kennen te geven in welke zaken een iegelijk het Vaderland

meest ten nutte kan verstrekken. Deeze naamrolle der Candidaten

ontvangen hebbende, beveelt de Souverain dezelve te boek te stellen; op

dat hij in zijn geheugen en als voor zijne oogen mag houden de gene

welke hij met de openstaande bedieningen staat te bekleeden. De

bovengemelde Maagd hadt vier jaren van te vooren van de _Karatti_ een

schoone _Attestatie_ gekregen, en daar op was zij van den Souverain

aangesteld tot Presidente van den Raad deezer Stad, waar in zij gebooren

was, Deeze gewoonte wordt heilig en onschendbaar bij de _Potuaners_

onderhouden: vermits zij vaststellen, dat niemant de toestand der

plaatze beter bekend is, dan de gene die aldaar gebooren en opgevoed

zijn. _Palmka_ (dus wierdt de Maagd geheeten) hadt met den allerhoogsten

lof, geduurende den tijd van drie jaaren, deezen post bekleet, en wierde

gehouden voor den schrandersten boom der gantsche Stad: want de

langzaamheid van haar begrip was zoo groot, dat zij eene zaak, zoo die

niet drie- of vier-malen herhaalt wierdt, kwalijk konde begrijpen. Dog

't geen zij eens begreep, verstont zij in den grond, en loste alle

geschilstukken met zoo veel oordeel op, dat haare uitspraken als zoo

veele Godspraken wierden gehouden.

_Zij wist waarin de grond der zaken was gelegen,_

_En in de weegschaal van de billijkheid te wegen_

_Het weiflend regts-geding: zij wist het heilig regt_

_Te schiften van 't bedrog aan schijndeugd vastgehegt._

_Geen zeldzaam toeval kon haar doorzigt ooit verduisteren,_

_Mits Themis zelv' altoos kwam haar verstant opluisteren._

Hierbij kwam het toe, dat zij in den tijd van vier jaaren geen vonnis

heeft uitgesproken dat niet door het hoogde _Potuaansche_ Gerichtshof

bevestigd, en met loftuigingen is vereerd geworden. Derhalven kwam die

inzetting ten voordeele van de vrouwelijke sexe, welke ik in 't begin

veroordeelt hadt, mij niet ongerijmt voor, na dat ik de zaak

naauwkeuriger had ingezien. Ik dagt bij mij zelf, wat zoude 't al zijn

zoo de Vrouw van onsen _Bergschen_ Richter in plaats van haaren Man eens

in de regtbank zat? En wat zou men al zeggen, zoo de dogter van onzen

Advocaat _Severini_, eene Maagd versiert met welspreekendheid en andere

voortreffelijke gemoedsgaven, in plaats van haaren dommen Vader de

Gerichtszaken in de Vierschaar bepleitte? Onze regtsgeleerdheid zou daar

door weinig nadeel lijden, en mogelijk zou 't regt zoo dikwils niet

gebogen worden. Voorts dagt ik, dat, vermits in de Europische

Gerichtshovende zaken zoo schielijk beslist worden, zoo de schielijk en

onbedagtzame vonnissen tot een rijper onderzoek wierden gebragt, dezelve

niet weinig berispinge zouden onderhevig wezen. Maar om voort te gaan

met mijn verder verhaal: de reden van de aderlatinge zeide men mij deeze

te wezen. Wanneer iemand van misdaad overtuigd is, wordt hij, in plaats

van eene geesselinge, verminking der leden, of den dood te ondergaan,

verwezen tot eene aderlatinge, op dat het kome te blijken of de misdaad

aan kwaadaartigheid, of aan bedorven bloed en sappen moet worden

toegeschreven; en of hij door zodanig eene kuur kan worden verbeterd:

invoegen deeze regtbanken meer verbetering dan straffe beöogen. Egter

behelsde deeze verbetering eenigzins eene straffe, nademaal het

eenigermaate eene schandvlekke veroorzaakte door vonnis van den Richter

deeze operatie te moeten ondergaan. Zoo iemant zig ten tweedenmaale

misging, wierdt hij de Stad onwaardig geoordeelt, en naar het Firmament,

waar naar toe zij alle zonder onderscheid verwezen wierden, in

ballingschap verzonden. Dog van die verbanning, en van de natuur

derzelve zullen wij straks breeder spreeken. En aangaande dat die

Chirurgijn, die mij eene ader geopent hadt, op 't gezigt van mijn bloed

als verstomt was geworden; daar van was dit de oorzaak: dat namentlijk

de inwoonders deezes Aardbols in plaats van bloed, een helder en wit

vogt hebben, dat door hunne aders vloeit, en 't welk hoe witter het is,

hoe het ook des te grooter teeken van deugtzaamheid te kennen geeft.

Dit alles vernam ik ten vollen, na dat ik de onderaardsche taale was

magtig geworden, waar door ik een gunstiger gevoelen voor deze Natie

begon op te vatten, welke ik al te roekeloos had veroordeelt. Dog hoe

zeer ik deeze boomen voor dom en zot in den eersten opslag had gehouden;

had ik egter terstont daar na bespeurt, dat zij niet van alle

menschelijkheid waren ontbloot, en dat vervolgens mijn leven geen gevaar

liep: in welke hoop ik ook bevestigd wierd, toen ik zag dat mij

tweemaalen daags spijs gebragt wierdt, die gemeenlijk bestont in

vrugten, groente en peulvruchten:--aangaande de drank die bestont in

een klaar vogt, 't aangenaamste en smaakelijkste dat men bedenken kon.

De Richter in wiens bewaringe ik was, liet den Vorst of Landheer, zig in

eene nabijgelegen Stad onthoudende, van stonden aan weten, dat hem bij

geval in handen was gekomen zeeker redelijk Dier, maar van eene

ongewoone gedaante. De Vorst bewogen door die nieuwigheid, beval mij in

de taal te onderwijzen, en dat ik daar na zoude worden gezonden naar

zijn Hof. Hierom wierdt mij een taalmeester verzorgt, onder wiens

onderwijs ik in een halfjaar tijds zo verre vorderde, dat ik met de

inwoonders gemakkelijk genoeg konde praten. Na dat ik in de

onderaardsche taal mijnen eersten leertijd hadt doorgebragt, kwam 'er

een nieuw bevel van 't Hof nopende mijn verder onderwijs, en ik wierd

belast in de eerste beginzelen van 't kweekschool mij te laten

onderwijzen, ten einde dat de _Karatti_ of Onderzoekers mijn verstand

zouden beproeven, en naspeuren in wat soort van wetenschap ik de meeste

hoop van mij gaf. Dit alles volbragten zij zeer zorgvuldiglijk: maar

terwijl ik in deeze loopbaan liep, wierdt 'er geen mindere zorg voor

mijn lichaam dan voor mijn verstand gedragen; en zij waren wel

voornamentlijk daar op uit, dat ik, zoo veel immer mogelijk was, mogte

worden gevormt tot het fatsoen van eenen boom, ten welken einde eenige

geleende takken aan mijn lijf geschikt wierden.

Terwijl dit voorviel, onderhieldt mij mijn huiswaard 's avonds zoo dra

als ik, schoon laat, uit het kweekschool kwam, met verscheide praatjes

en vraagen. Hij hoorde mij met een overgroot genoegen van al 't geene

mij in deeze onderaardsche Reize ontmoet was, redenkavelen; dog niet

weinig verwondert was hij over mijne beschrijving van onzen Aardkloot,

en over den onmetelijken Lugt-hemel onderscheiden door oneindige

Sterren, waar meede dezelve omringd was. Dit alles hoorde hij gretig en

met oplettendheid aan; dog hij wierdt eenigzins beschaamd op 't hooren

van dat gene 't welk ik hem verhaalde van de boomen onzes Aardkloots,

welke onbezield en onbeweeglijk met hunne wortels vast in den grond

staan; en eindelijk zag hij mij niet zonder verontwaardiging aan,

wanneer ik hem betuigde, dat onze boomen uitgehouwen zijnde, dienden om

de kachel te slooken en de pot te kooken. Dog na eene ernstige

overweginge, bedaarde eindelijk zijne gramschap, en stekende vijf takken

op naar den hemel (want zoo veele hadt hij 'er) verwonderde hij zig over

de wijsheid van den Schepper, welkers redenen menigvuldig en verborgen

zijn; luisterende voor het overige naarstig toe naar mijne verdere

vertellingen. Zijne huisvrouw die tot nog toe van mijne tegenwoordigheid

eenen afkeer hadt gehad, vermits zij gehoord hadt, dat de oorzaak,

waarom ik voor de regtbank was gebragt geweest, waaragtig was, en dat ik

door de gedaante van eenen boom, welke wij in onze waereld plegen te

beklimmen, bedrogen was geweest; maakte, haare agterdogt afgelegt

hebbende, met mij peis. Maar ik, om niet in 't begin van eene getroffen

verzoeninge het versche litteeken wederom op te krabben, wilde niet, dan

in 't bijwezen van haaren man en op zijn bevel, met haar aan het praaten

komen.

DERDE HOOFDSTUK.

_Beschrijving van de Stad Keba._

Terwijl ik nog in mijne leerjaaren was, leidde mijn huiswaard mij nu en

dan eens door de Stad, om mij te doen zien al 't geen daar in fraai en

't meest aanmerkelijk was. Wij wandelden zonder eenig beletzel, en 't

geen mij 't wonderlijkste van allen voorkwam, zonder eenigen toeloop der

inwoonders; geheel anders als bij ons geschiedt, alwaar de menschen als

met geheele troepen komen toevliegen, om te bezien al 't geen ongewoon

is, en hunne nieuwsgierige oogen te verlustigen; daar integendeel de

bewoonders deezer Planeet zig weinig laten gelegen leggen aan nieuwe

snufjes, en alleenlijk ernstige zaaken betrachten. Deeze Stad wordt

_Keba_ geheeten en is de tweede in rang van het _Potuaansche_ Prinsdom.

Deszelfs inwoonders zijn zoo deftig en schrander, dat men alle de

burgers zoude groeten voor Raadsheeren. De ouderdom wordt aldaar boven

maate in aanzien gehouden: want nergens bewijst men den bejaarden

lieden zoo veel eers, en nergens wordt de grijsheid met meer agtinge

bejegent: want men heeft 'er niet alleen ontzach voor hunne woorden,

maar zelfs voor hunne wenken. Ik verwonderde mij dat een volk zoo zedig

en deftig, zig met spiegelgevegten, comedien en schouwspelen konde

ophouden, aangezien die dingen daar zoo weinig overeenkomst mede hebben;

't welk mijn huiswaard bemerkende, zeide: door dit geheele Vorstendom is

juk en ernst beurtelings onze bezigheid.

_Saturnus zelf hoe stuursch en wreed hij is van aart,_

_Word door den zagten luim weer van Jupijn bedaart._

De onderaardsche reis van Klaas Klim Behelzende eene nieuwe beschrijving van den aardkloot · 第 1 / 21 段