Adil zucht. Is hij moe? Neen, maar hij heeft honger. Gelukkig, dat wij
thuis zijn. En het binnenkomen. De maan schijnt en schaduwt door de
bogen en de gebouwen. De herder is met de schapen binnengekomen. Ze
woelen op den hof dooreen. Wit en wol in den maneschijn.
Maar Adil heeft honger. Gelukkig heeft de kok uit Jaffa gezorgd. Er is
een schotel gevulde koolbladeren met vleesch. Haché met gestoofde
aardappels. Kip met rijst en Spaansche peper. Lamsbout met snijboonen.
En een groote visch, die vanmiddag expres uit Jaffa gebracht werd. Dan,
koekjes, velerlei vruchten. Koffie en thee. Morgen is Adil ziek. En de
armen zullen nog wel vele dagen voor ons bidden.
Wij blijven natuurlijk logeeren. In den salon. Ik krijg het ledikant.
Voor Adil een goed bed op den grond. En daarnaast de gastheer. Dat
behoort hier zoo. De gasten en de gastheer slapen samen. Hij moet
zorgen, dat er met de gasten geen kwaad gebeurt. Van de verre vlakten
schijnt de maan in de kamer. Over de Turksche tapijten spint tapijt van
licht en schaduw.
En, vraagt ge nu wellicht: "wat is nu het laatste geweest, dat ge dien
avond met uwen vriend hebt besproken? Zeker iets heel poëtisch?" Neen,
lieve vrienden, niet iets heel poëtisch. Adil Effendi vraagt mij,
hoeveel baksjisj wij morgen zullen geven. Heeft Aboe Fares ons niet
kostelijk ontvangen? Heeft hij ons niet de rijdieren gestuurd? Zeker zal
hij ons morgenochtend, vóór wij weggaan, nog vele lekkere dingen te eten
geven. Wij moeten elk van de huisbedienden een half pond baksjisj geven.
Zeker zal men ons dan achten. Den sjech zelven kunnen wij geen geld
geven. Maar hij wil gaarne onze portretten hebben en een visitekaartje.
En Sakhib, die ons uit Ramleh heeft gehaald, zal ons zeker nog meer
achten dan hij reeds doet, wanneer wij hem een mooie lantaren ten
geschenke geven. Ik zeg, dat wij moeten doen, zooals het behoort. Zooals
Adil het heeft gezegd, zóó is het goed. En dan gaat hij slapen, gelukkig
in het vooruitzicht van alle achting, die hem morgen ongetwijfeld zal
ten deel vallen.