Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die
stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den
eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven,
Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel
gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle
dieven.
En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het
laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil
of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van
de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En
rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden
terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een
anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen.
Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard
af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het
wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en
meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine
paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen
het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven.
En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die
naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die
vandaag op tijd is. Ongehoord.