XVIII.

Het vroege wakker worden in den morgen. De koelte. En de hitte, die

stijgt. De vogels en de zon. Al het bonte leven in huis en hof van den

eerwaarden sjech, die misschien wel het Bed der Dieven,

Yatack-il-Kharamiyeh is. Maar wie zal 't zeker weten? Er wordt zoo veel

gelasterd. Moge Allah, die groot is, alle lasteraars straffen en alle

dieven.

En het ontbijt op het platte dak met den wijden, vrijen blik. Voor het

laatst heeft nu de kok zijn best gedaan. En voor het laatst vraagt Adil

of hij een zoo machtigen sjech mag beleedigen door niet veel te eten van

de vele goede zaken, die ons worden voorgezet? Geven de baksjisj. En

rijden af. Ditmaal met een knecht, die loopt en straks de paarden

terugbrengen zal. Dus rijden wij langzaam over het heerlijke land. Een

anderen weg dan dien wij kwamen. Langs de Joodsche kolonie. Ben Shemen.

Alleen mooie dingen. Hebreeuwsch spreken van een prachtig Arabisch paard

af met een Joodschen boer en boerin, die samen ploegen voor het

wintergraan. De bewaarschooljuffrouw met haar Joodsche jongetjes en

meisjes buiten tegenkomen. En ze mogen allen spelen met het lichtbruine

paardeveulentje, dat een blauw snoer om het ranke halsje draagt. Tegen

het Booze Oog. Een Joodsche smid. Alles Joodsch leven.

En dan komen in het stationnetje te Ludd. En daar Jabotinsky vinden, die

naar Jeruzalem rijdt. En de trein naar El Kuds, gezegd Jeruzalem, die

vandaag op tijd is. Ongehoord.

Jerusalem(#15083) · 第 47 / 59 题