Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de
bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa
is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de
zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O,
de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen
nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden
schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren
zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel
ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte
tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij
spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den
weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen
de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het
achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God
heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in
glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt
Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is
nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche
honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de
bergwegen naar huis?