XVI.

Maar nu moeten wij terug gaan rijden. De schemering is begonnen over de

bergen en in de diepe dalen. Ver in het Westen, waar de Zee van Jaffa

is, verzinkt de zonnebol groot en vurig. Twee zonen en de neef met de

zaag blijven te Naälin. Sakhib zal met ons naar Dar Salameh rijden. O,

de wondere tijd. Er zijn geen zonneschaduwen meer. En de maneschaduwen

nog niet begonnen. Alles één groote teederheid. De herders met de kudden

schapen en geiten. Herdersjongetjes dragen geitjes, die zoo even geboren

zijn in het veld. Maar verder weg van het dorp is niemand meer. De hemel

ongestoord blauw. De zilvermaan. En al de gezaaide sterren. En de stilte

tusschen de verlaten bergen. Later de zwartgouden maneschaduwen. Wij

spreken niet. Ik ben moe. Heerlijk moe. Het goede, groote paard weet den

weg. En het stapt vroom en voorzichtig over het pad, verloren tusschen

de steenen. En altijd de liefde van het kleine paardje. Soms, als het

achterblijft, roepen wij: "Taäl, Taäl." En dan komt het aangeslagen. God

heeft ons wel lief vandaag. Ik glimlach om de woorden van Adil. En in

glimlach van alles rijden wij verder. Hoog en ver op zijn heuvel bouwt

Dar Salameh. Wij zien de huislichten. Wij zien lichtjes gaan. Maar 't is

nog heel ver. Waar wij rijden langs zwarte tenten slaan de waaksche

honden aan. Men brengt lichtjes buiten. Wie rijden er laat langs de

bergwegen naar huis?

Jerusalem(#15083) · 第 45 / 59 题