Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en
lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar
omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje
zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares
komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van
allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze
brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed,
een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op
het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats
later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam,
en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger
waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de
sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren
hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een
aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares
weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een
bewijs, hoezeer hij hem eert.