XV.

Er is een school in Naälin. En er zijn jongens die schrijven kunnen en

lezen. Voor de school is een pleintje met een gemetselden wal daar

omheen. Op het pleintje twee stoelen. Daarop wij. En op het walletje

zitten alle notabelen van het dorp. Al de andere zonen van Aboe Fares

komen voor den dag. De kleinste kan nog niet loopen. En ze zijn van

allen leeftijd en van alle kleur. Allemaal heel schuw en heel aardig. Ze

brengen ons koffie. En Aboe Fares heeft Sakhib, gezegd Aboe Mohammed,

een deel van de acht kilo's bonbons medegegeven. Eerst heeft Sakhib op

het walletje naast mijn stoel gezeten. Maar hij heeft die eereplaats

later afgestaan aan een oom, een broer zijns vaders. Daarnaast de Imam,

en daarnaast de Meester. Zij allen prijzen Aboe Fares' wijsheid. Vroeger

waren er vele twisten tusschen de vele dorpen. Maar nu Aboe Fares de

sjech van allen is, zijn er geene twisten meer. Hij is wijs en zij eeren

hem allen. Ook vreezen zij hem. De broer naast mij is ook een

aanzienlijk man. Aboe Fares eert hem. Telkens, wanneer er bij Aboe Fares

weer een kind geboren werd, is hij bij hem gekomen om een naam. Wel een

bewijs, hoezeer hij hem eert.

Jerusalem(#15083) · 第 44 / 59 题