Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van
Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden
uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan
zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde
rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij
steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest
zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare
nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit
de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie
zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische
leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord:
"Aan Allah."
En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes
glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de
achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt:
"Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij
vernederen.
Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in
draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft
achteraan.