XIV.

Wij zijn weer opgestegen. Hoog en ver boven het handvol huizen van

Naälin. Breedte des hemels enkele kilometers. Maar de weggetjes winden

uitvoerig door de rotsen, tusschen dalen, hellingen. Wij moeten gaan

zeer voorzichtig. Glijden de paardpooten glad ijzer uit over harde

rotsen. Zoeken de pooten voorzichtig naar plekjes aarde, waar zij

steviger staan. In de middeleeuwen moet Naälin een ongenaakbaar diefnest

zijn geweest. Maar er zijn geen middeleeuwen meer. En geen ongenaakbare

nesten. Men zou nu Naälin slaan vanuit de zee. Of bommen werpen van uit

de lucht. Wat denken de anderen? Ik kan het niet vragen aan de drie

zonen en aan den neef, omdat zulke dwaze vragen niet in Arabische

leerboekjes voorkomen. Maar ik kan het Adil vragen. En zijn antwoord:

"Aan Allah."

En nog het stijgen en wenden. Hoe lijkt Naälin dichtbij. De ezeltjes

glijden niet uit. Maar 't paard is al tweemaal uitgegleden, met de

achterpooten tegen de voorpooten aan. Dan weer rechtop. Adil zegt:

"Stijg af. En neem den ezel." Maar ik wil liever doodvallen dan mij

vernederen.

Het laatste deel is vlakke weg. De ezeltjes in draf. Het felle paard in

draf. Laat middag draven we binnen. En het kleine paard draaft

achteraan.

Jerusalem(#15083) · 第 43 / 59 题