XIII.

Na de koffie gaan wij naar Naälin, het voornaamste van de twaalf dorpen,

waarover Aboe Fares sjech is. Adil beweert wel, dat men ons meer zou

achten, wanneer wij rustig te Dar Salameh bleven. Maar ik verzeker, dat

men in Europa nooit de hoofdplaats van eenen sjech onbezocht laat. En

voor Europeesche argumenten zwicht Adil altijd zeker. Wij gaan. O, een

wonderlijke optocht. Ik heb weer het mooie moederpaard met het

veulentje. Adil den witten ezel. Drie zoons gaan mee, op ezeltjes allen.

En een neefje, dat een groote zaag naar Naälin brengt.

De bergen trekken wij in. Heel groot en heel verlaten. De wilde

winterregens zijn nog niet gevallen. En de wadi, waarin des winters het

water bruist is nog droog. Daardoor trekken wij heen. En dan de smalle

rotspaden op, waar paard en ezel voorzichtig de pooten zetten en toch

nog dikwijls glijden van de gladde steenen. Rijden één achter één. Geen

ander geluid dan de stappende pooten en de echo daarvan. En het kleine

paardje, dat soms hinnikt, wanneer het verloren is tusschen de rotsen,

en zijn moeder wel ziet, maar er niet bij komen kan. Dan strijdt het

kleine paardje heel lang, bang voor de rotsen. En bang om zijn moeder te

verliezen. Als de afstand heel groot is geworden, breekt de strijd. En

het paardje komt aangedraafd en vlijt zich tegen de moeder.

Wij gaan heel langzaam en heel vermoeiend. Ik zie geen weg. Maar mijn

vrienden zien de wegen. Zij vinden hier den weg zonder nachtlicht in de

zwaarste winternachten.

Wij rusten bij de bron van Natouf, een diep en hoog hol in de rotsen,

waar water langzaam doorheen droppelt. Ik heb het water al te Dar

Salameh gedronken. Het was zoet als gesuikerd. En scherp als gekruid.

Toch was het enkel water. Hier vangen wij het uit de rotsbron dadelijk.

Het is ijskoel.

Na den eersten regen is frisch, als lente, groen opgekomen. De rijdieren

eten daar van. Het kleine paardje drinkt van zijn moeder. Wij zitten met

ons zessen in het donkere bronnenhol, spelen met het water en kijken

naar het licht. Adil, bevangen door een slaap van geluk, zegt het:

"Allah heeft ons lief vandaag."

Jerusalem(#15083) · 第 42 / 59 题