XII.

Wij eten aan tafel. Er zijn ook stoelen, messen en vorken. Aboe Fares is

een gul en goed gastheer. Hij heeft een kok laten komen uit Jaffa.

Jammer, dat ik van des koks lekkernijen niet eten zal. Maar voor mij is

er ook gezorgd: versche dadels, sinaasappels, tomaten en olijven. De

zonen eten niet met ons mee. Dat zou niet passen. Zij staan achter de

tafel. Nemen de schotels aan van den kok. Nemen ze weg. Geven ons water.

En wijn. Van Rischon le Zion. Sjech Amin Osman gezegd Aboe Fares eet

alsof hij nooit een pannekoek-, rijst-en vleeschschotel hadde gezien.

Nu, de kok heeft goed gezorgd. Hij geeft een schotel vleeschkoekjes, een

macaronitaart als een huis, gebakken aardappels met gemurwd

hamelvleesch, kip met gekookte appels, een schotel van rijst met

geitjes-vleesch. Dessert. "Adil," mag ik als oudere den jongere zoo

waarschuwen: "ik vrees, dat gij te veel eten zult." "Natuurlijk eet ik

te veel," antwoordt Adil, "zoudt gij willen, dat ik van al deze goede

zaken weinig eten zou? Wat zou Aboe Fares van mij denken?" Ik

verontschuldig mij, dat ik niets eten mag. "Min Allah, min Allah,"

antwoordt de Sjech met een goeden glimlach: "wat er heden overblijft,

geven wij aan de armen, opdat zij den dag van uw bezoek lang zullen

gedenken. Er zal veel overblijven, en zij zullen vele gebeden voor u

uitspreken."

Jerusalem(#15083) · 第 41 / 59 题