XI.

Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote

stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien

is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij

noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij

kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij

antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen

zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal

men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo

geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier

dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken

eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En

Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en

de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen

hebben ze niet.

De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep

bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als

brood.

En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken

schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met

pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol

rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een

stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de

rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal

binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed

gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons

mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen

afgewerkt. Handenwasschen en koffie.

Jerusalem(#15083) · 第 40 / 59 题