Er zijn gasten gekomen. Vier dorpshoofden uit de buurt van Gaza. Groote
stoute Arabieren. Zij zijn hier gekomen om vee te verkoopen. Misschien
is het wel gestolen vee. Maar dat weet Amin el Hawadja niet. Zij
noodigen ons uit tot bezoek. Adil's oogen blijven stil en koel. Wij
kunnen samen veilig Fransch spreken. "Zouden wij gaan, Adil?" En hij
antwoordt: "Zeker zullen wij niet gaan. Zijn zij groote sjechs? Zullen
zij ons lekker eten geven, zooals Aboe Fares straks zeker doen zal? Zal
men ons achten, wanneer wij een bezoek gaan brengen, zóó ver, bij zoo
geringe dorpshoofden? Ik twijfel of wij zullen gaan." De vier
dorpshoofden, buiten besef, dat over hun lot wordt beslist, kijken
eerbiedig naar Adil Effendi, die spreken kan met den vreemden heer. En
Adil antwoordt hun, dat wij zeker gaarne zullen komen, zoodra de wind en
de regen goed zijn. O, Adil heeft goede manieren. Maar de Europeanen
hebben ze niet.
De gasten krijgen nu een diep bord fel gekleurde zuurtjes en een diep
bord Turksch zoet. Daar gaan de acht kilo's! Ze eten de bonbons als
brood.
En dan gaan ze eten in den hof. Men eet hier zóó: een platte blikken
schotel. Ik schat een halve meter in doorsnee. En die belegd met
pannekoeken, waarmee ook de opstaande wanden afgezet. De schotels vol
rijst. En op de rijst stukken vleesch. Eerst handen wasschen. Dan een
stuk pannekoek. En een vuistvol rijst. Die samen kneden in de
rechterhand. Een stuk vleesch daarbij. En dan de geheele bal
binnenwippen. Doe 't maar na. Niet morsen. Aboe Fares, die een goed
gastheer is, eet met zijn gasten mee. Straks zal hij ook met ons
mede-eten. De pannekoek-, rijst- en vleeschschotel is volkomen
afgewerkt. Handenwasschen en koffie.