VIII.

De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine

moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard.

Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die

zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het

leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want

wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen

de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die

klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het

leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik

aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op

stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een

slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg.

Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen

galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en

trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder.

Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En

toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar

het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere

bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven.

Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib

en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik.

Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn

hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den

gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak

vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil

werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd:

"wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij

gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij

gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren

gedood waart, had ik mij zelven gedood."

Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid.

Jerusalem(#15083) · 第 37 / 59 题