De domheid. En het wonder. Sakhib heeft het gezegd. Het bruine
moederpaard, dat heet Saäda, de Rijke, is een lief, goed-loopend paard.
Het wordt alleen lastig in de buurt van auto's en van motors. Maar die
zijn er niet. En men moet het niet slaan. Zelfs niet koozend met het
leidsel. Dan slaat het door. O, als Sakhib maar niets had gezegd! Want
wanneer we Ludd voorbij zijn en in de heuvelvlakte komen, dan beginnen
de woorden van Sahkib mij te hinderen. En na een langen strijd, die
klopt in hart, keel en pols, heb ik het paard een tik gegeven met het
leidsel. En het draaft dadelijk op. Een korte, krachtige draf. Als ik
aan het leidsel trek, zal het misschien bezinnen en weer gelijk op
stappen gaan. Maar als een groote bevrijding geef ik het paard weer een
slag met het leidseleinde over den hals. Ik ben bevrijd. Het is genoeg.
Maar het paard, wreedbeleedigd, heeft galop gezet. Ik voel den langen
galopslag. Het vreemde paard heeft zich vrijgemaakt. Knel de knieën en
trek het gebit aan. Het paard op de achterpooten. Neer en holt verder.
Ik ben niet bang. Straks zal ik vallen, voeten in den stijgbeugel. En
toch zijn de twee slagen met een wreeden dood niet te duur betaald. Maar
het leven is niet zoo. Ik zal wel ergens sterven op het een of andere
bed. Plotseling staat het paard. Het kleine veulen is achter gebleven.
Daar komt het gedraafd. En ver, heel ver, van achter een heuvel, Sakhib
en Adil. Zij ranselen hun ezels. Zij trappen hun ezels in den buik.
Sakhib jammert: "wat heb ik gedaan? Wil ik jammer brengen over zijn
hoofd? Hoe zal hij durven verschijnen voor zijnen vader, wanneer den
gast een ongeluk overkomen was." Zij blijven nu verder vlak
vooruitrijden. Adil heeft niets gezegd. En ik denk dit: "wanneer Adil
werkelijk een goed vriend was geweest, dan zou hij hebben gezegd:
"wanneer gij gewond waart, had ik mij zelven gewond. En wanneer gij
gedood waart, had ik mij zelven gedood."
Den volgenden dag, wanneer wij terugrijden, zegt Adil: "wanneer gij
gisteren gewond waart, had ik mij zelven gewond. Wanneer gij gisteren
gedood waart, had ik mij zelven gedood."
Ik kijk doodverschrikt op. Maar er is niets dan de Eeuwigheid.