En zoowaar, met den mooien morgen, daar verschijnt Sakhib, de tweede
zoon van den sjech. Groot en waardig in een bruin gewaad. Zijn vader
wacht ons half-weg Naälin in zijn landhuis, dat heet Dar Salameh: Woning
des Vredes. Hij zendt ons zijn mooiste paard voor mij. Een mooien
witten ezel voor Adil. En hij, Sakhib, rijdt een gezellig grauw ezeltje.
Wij eten eerst samen. Wij doen dat zonder messen en vorken. Wij breken
het brood in groote brokken. Wij doopen dat in de olie van onze
sardientjes en nemen met onze vingers de stukken sardien. Ik sidder af
en toe. Maar zou ik den tweeden zoon van een machtigen sjech mogen
beleedigen? En eten als de dwaze Europeanen doen met een vork en een
mes? Ieder van een bord apart, als vergiftigde vijanden!
En dan rijden wij af. Sakhib op het kleine grauwe ezeltje, dat in een
grooten zak ook nog onze twee koffers draagt. Dan Adil. En dan ik. O,
het mooie paard. De sjech is groot. Hij zendt een raspaard. En het paard
heeft een veulentje van twee maanden, dat het overal naloopt. Het draagt
een blauw kralensnoer om het ranke bruine halsje. Tegen het Booze Oog.
En het tiptipt op héél lichte voete-pootjes. Zoo open. Zoo vrij te
rijden door het Land. Overal de wijde blik tot aan de verre, blauwe
berglijnen. Wij rijden langs het dorp van Ludd. Palmen. Er is al eerste
regen gevallen en er staat stil water. Zoo stil als de hemel zelf. Het
is een prentje, zooals wij die zagen in atlassen en
aardrijkskundeboeken. Nu denk ik aan mijn jeugd en zucht. Maar ik
verlaat mijn jeugd. En het is de wonderlijke vertelling van Aart van der
Leeuw: "Sint-Veit". Omdat het zonnelicht geen tijd kent.