Allah is groot. Het is Maandagmiddag mooi weer. De regenwind is nog niet
begonnen. Wij kunnen dus nog wel op mooi weer vertrouwen. Wij rijden
(voor twintig piaster!) naar het station. En voor zestig piaster de man
van Jeruzalem door de bergen naar Ludd. En dan weer voor vijf en twintig
piaster in een heerlijk zonnig tentwagentje langs eenen vol en
bontlevenden weg naar Ramleh. Omdat er in Ludd geen hotel is. Het hotel
in Ramleh is echter ook geen hotel, maar een holletje. Niet duur. Dat is
waar. Er zijn twee kamers. Een met vier, en een met zes bedden. Van
kamers met één bed heeft de waardin nooit gehoord. Zijn wij dwazen? Wij
betalen twee shilling per persoon. Willen wij daarvoor ook nog schoon
beddegoed? Zijn wij dwazen? Wanneer wij een shilling den man bijbetalen,
dan zal zij ons schoon beddegoed geven. En dan op stap naar paarden. Wij
gaan daarvoor naar de apotheek. Dat is de sociëteit van Ramleh. De
apotheker heeft met Adil's broer tegelijk te Beyrouth gestudeerd. Nu,
tegen den avondval, komen alle notabelen van Ramleh een praatje maken
bij den apotheker. Paarden? Rijpaarden zijn er niet. Die zijn veel te
duur geworden. Maar wij kunnen Amin el Hawadja wel een brief zenden om
rijdieren en een gids, Wij offeren dus weder een half pond voor een
nachtlooper naar Naälin. Wij geven hem een Engelschen brief mee, vol van
's mans goede bedoelingen, voor het geval hij door een Engelsche
patrouille wordt aangehouden. Een mooien Arabischen brief voor den
sjech. De man wapent zich met een dikken stok tegen de jakhalzen. En dan
maar loopen.