V.

Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen.

Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven.

Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is

die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier

vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes

voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe

lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum

heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig

cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil:

"bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer

wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het

uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker

wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons

achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt

hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit.

Jerusalem(#15083) · 第 34 / 59 题