Adil, die zich rijk op de reis verheugt, belast zich met alle inkoopen.
Daar ik niet in de reishotels eten kan, koopt hij voor mij conserven.
Wij hebben eieren. En chocolade, die van Bensdorp blijkt te zijn. Hoe is
die hier in de Bazar gekomen? Adil koopt ook bonbons voor de vier
vrouwen en de vele kinderen. Hij koopt vier kilo felgekleurde zuurtjes
voor den civielen prijs van vijf gulden. Hoe feller gekleurd, hoe
lekkerder. Hij koopt ook vier kilo Turksche jujubes, die hier halkoum
heet. Ze kosten ook vijf gulden. En een mooie blikken doos van zestig
cent. Ik vraag of acht kilo bonbons niet wat veel is? "Neen," zegt Adil:
"bezoeken wij niet een machtigen sjech? Zou men ons meer achten, wanneer
wij hem minder gaven?" Zóó is het hier. Men dingt op alles af tot het
uiterste. Maar met geschenken over en weer is men ruim. En de bezoeker
wordt geschat naar de waarde van zijn geschenk. "Zeker zal men ons
achten," zegt Adil wel voldaan. Wanneer Adil iets niet wil, dan zegt
hij: "Zeker zal men ons daarom minachten." En dan is 't uit.