Nietwaar, na deze gunstige informatiën mogen wij gerust gaan. Wie ook
bestolen worden, de gasten van den hoofdman zeker niet. Wij zullen Amin
dus een brief schrijven, dat wij hem Dinsdag aanstaande zullen komen
bezoeken. Adil belast zich daarmede. Het is een heel moeilijk werk, want
Amin Effendi is een groote sjech. Wij bedenken ons op ieder woord. Maar
't wordt dan ook een mooie brief: "Aan Zijne Excellentie, den Geëerde,
den heer Amin el Hawadja, dat hij altijd leve. Amen!
Wij groeten Uwe Excellentie zeer en wij vragen naar zijn welvaren. Gij
weet, dat gij naar El Kuds zijt gegaan en dat gij daar hebt bezocht
Zijne Eminentie, den Groot Mufti Kamil Effendi Husseini. Gij hebt daar
eenen vreemden heer ontmoet, dien Gij later hebt uitgenoodigd Uwe
Excellentie te komen bezoeken. Daarom schrijven wij Uwe Excellentie
dezen brief, dat wij hopen te komen op den Derden Dag van de volgende
week. Allah is groot. Wij hopen Uwe Excellentie en zijne familie in
gezondheid te vinden.
Zij, die u schrijven,
Adil Awedah,
Jacob Israël de Haan.
Geschreven te El-Kuds, op den vierden dag van den eersten maand Rabia,
van het jaar 1338."
Ook het adres is heel mooi. Rechts boven, vlak in den hoek: "Van
El-Kuds," dat beteekent: "De Heilige." Zóó noemen de Arabieren
Jeruzalem. Links vlak in den hoek: "Naar Naälin." En midden in één lange
lijn: "Aan Zijne Excellentie, den heer Amin el Hawadja, dat hij lang
leve. Amen!"
Gij, Hollandsche lezer, denkt nu, dat wij op dezen brief een mooien
gelen postzegel hebben geplakt van vijf millièmes, en toen hebben
gepost? Maar dan zou de brief misschien niet aangekomen zijn binnen de
zes dagen tot ons bezoek. Neen, wij hebben den brief medegegeven naar
Rehoboth, en vandaar is hij per looper naar Naälin gebracht. Dat kostte
maar zeven shilling. Des Zaterdagavonds hebben wij ons bezoek
telegraphisch bevestigd. Kijk, en dat is nu aardig: dat telegram kwam
juist aan, toen wij, Woensdagochtend, van Amin's huis vertrokken. Het
kostte negen piaster.