III.

Nietwaar, vóór men op reis gaat, mag men toch wel eens informeeren naar

den gastheer? En zietdaar informaties uit zeer vertrouwbare bron: "Amin

el Hawadja was hoofd van een rooverbende en maakte het geheele district

onveilig. Hij had altijd een honderd goed gewapende en goed bereden

mannen onder zijn commando, die hem met hart en ziel waren toegedaan.

Hij maakte een groot fortuin en dwong een groot aantal dorpen hem als

sjech te erkennen. De Turksche regeering kon niets tegen hem doen. Hij

werd verscheidene malen ingepikt, maar al gauw weer losgelaten uit vrees

voor zijn bende. Na de Engelsche bezetting en met het begin van de

Arabische nationale beweging werd hij een man van veel invloed. De

leiders van de beweging vleiden hem. Hij werd heel trotsch en beloofde

hun zijn hulp. Ofschoon hij een man is zonder eenige opvoeding, slaagde

hij er in op goeden voet te komen met de Engelsche autoriteiten en de

militaire gouverneur van Ramleh heeft hem verscheidene malen bezocht.

Hij zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: "Het bed van de dieven",

zooals de Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". Al 't gestolene

wordt bij hem gebracht en hij brengt 't aan de markt. Iedereen in 't

geheele land weet dat. Tegenover den bekenden Tewik Bek heeft hij zich

uitgelaten, dat hij de Engelschen nog wel eens een loer draaien zou. "Ze

konden zich nog wel eens in hem vergissen."

Ook Mohammed van den heer Goldsmit kent hem. Als ik hem vraag of hij

Amin el Hawadja kent, dan heeft Mohammed maar één woord. _Het_ woord.

Maäloum. En ik vraag verder: "is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn

misschien geen gevaarlijke vragen. Maar er zijn gevaarlijke antwoorden.

"Ja," zegt Mohammed: "ik ben uit een ander dorp. En veel van wat verteld

wordt, is niet waar. Allah moge alle lasteraars straffen. En ook de

dieven moge hij straffen."

Jerusalem(#15083) · 第 32 / 59 题