Nietwaar, vóór men op reis gaat, mag men toch wel eens informeeren naar
den gastheer? En zietdaar informaties uit zeer vertrouwbare bron: "Amin
el Hawadja was hoofd van een rooverbende en maakte het geheele district
onveilig. Hij had altijd een honderd goed gewapende en goed bereden
mannen onder zijn commando, die hem met hart en ziel waren toegedaan.
Hij maakte een groot fortuin en dwong een groot aantal dorpen hem als
sjech te erkennen. De Turksche regeering kon niets tegen hem doen. Hij
werd verscheidene malen ingepikt, maar al gauw weer losgelaten uit vrees
voor zijn bende. Na de Engelsche bezetting en met het begin van de
Arabische nationale beweging werd hij een man van veel invloed. De
leiders van de beweging vleiden hem. Hij werd heel trotsch en beloofde
hun zijn hulp. Ofschoon hij een man is zonder eenige opvoeding, slaagde
hij er in op goeden voet te komen met de Engelsche autoriteiten en de
militaire gouverneur van Ramleh heeft hem verscheidene malen bezocht.
Hij zelf steelt nu niet meer. Hij is alleen: "Het bed van de dieven",
zooals de Arabieren hem noemen: "Yatack-il-Kharamiyeh". Al 't gestolene
wordt bij hem gebracht en hij brengt 't aan de markt. Iedereen in 't
geheele land weet dat. Tegenover den bekenden Tewik Bek heeft hij zich
uitgelaten, dat hij de Engelschen nog wel eens een loer draaien zou. "Ze
konden zich nog wel eens in hem vergissen."
Ook Mohammed van den heer Goldsmit kent hem. Als ik hem vraag of hij
Amin el Hawadja kent, dan heeft Mohammed maar één woord. _Het_ woord.
Maäloum. En ik vraag verder: "is hij de sjech el kharamiye?" Er zijn
misschien geen gevaarlijke vragen. Maar er zijn gevaarlijke antwoorden.
"Ja," zegt Mohammed: "ik ben uit een ander dorp. En veel van wat verteld
wordt, is niet waar. Allah moge alle lasteraars straffen. En ook de
dieven moge hij straffen."