En dat is nu aardig. Een paar dagen later komt Amin paarden verhandelen
met mijn vriend Abdoel Salaam, den broer van Adil Effendi. Amin vertelt,
dat hij bij den Groot Mufti is geweest en dat hij daar een Europeeschen
chawadja heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: "die chawadja is een groote
vriend van ons." En dan noodigt Sjech Amin ons uit hem te bezoeken. Hij
woont te Naälin, diep en hoog in het gebergte van Judea. Oostwaarts van
Ludd en Ramleh. Niet ver van Midji, het oude Modin, de stamstad van de
Chasmoneesche heldenfamilie. De donkere oogen van Adil schitteren,
wanneer hij mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel ik nog, of ik gaan
zal? Mag men een zoo machtigen sjech zóó beleedigen! Maar ik spreek nog
lang geen Arabisch genoeg om mij met den sjech waardig te onderhouden.
Adil biedt grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, anders moest ik toch
een tolk medenemen en misschien nog wel een gids. Goed, maar als wij
eens afdoend bestolen werden? En ik vertel Adil wat ik van den waardigen
Sjech el Kharamijeh heb gehoord. Maar nu wordt Adil heel boos. Mag men
een machtigen sjech zóó belasteren? Zeker weet de wijze Amin el Hawadja
alle dieven en alle diefstallen. Hij helpt de bestolenen altijd in het
weervinden van het gestolene. En natuurlijk worden hem dan moeite en
tijdverlies vergoed. Moet hij schade lijden, omdat anderen zoo dom zijn,
dat zij zich laten bestelen? Goed, dan zullen wij de uitnoodiging
aannemen.
Het wordt een groote reis. Naälin ligt een twintig kilometer Noordwest
van Jeruzalem. Maar er is geen weg. Een looppad, hoogstens een
paardenpadje door de bergen. Wij moeten met den morgentrein gaan naar
Ramleh of Ludd. Overnachten. En 's morgens te paard de bergen in. Geen
wagenweg. Twee dagen uit en thuis. Adil doet thuis ook niets. Maar op
reis niets doen is toch nog weer geheel anders.