II.

En dat is nu aardig. Een paar dagen later komt Amin paarden verhandelen

met mijn vriend Abdoel Salaam, den broer van Adil Effendi. Amin vertelt,

dat hij bij den Groot Mufti is geweest en dat hij daar een Europeeschen

chawadja heeft ontmoet. "Juist," zegt Adil: "die chawadja is een groote

vriend van ons." En dan noodigt Sjech Amin ons uit hem te bezoeken. Hij

woont te Naälin, diep en hoog in het gebergte van Judea. Oostwaarts van

Ludd en Ramleh. Niet ver van Midji, het oude Modin, de stamstad van de

Chasmoneesche heldenfamilie. De donkere oogen van Adil schitteren,

wanneer hij mij de uitnoodiging overbrengt. Twijfel ik nog, of ik gaan

zal? Mag men een zoo machtigen sjech zóó beleedigen! Maar ik spreek nog

lang geen Arabisch genoeg om mij met den sjech waardig te onderhouden.

Adil biedt grootmoedig aan mede te gaan. Nietwaar, anders moest ik toch

een tolk medenemen en misschien nog wel een gids. Goed, maar als wij

eens afdoend bestolen werden? En ik vertel Adil wat ik van den waardigen

Sjech el Kharamijeh heb gehoord. Maar nu wordt Adil heel boos. Mag men

een machtigen sjech zóó belasteren? Zeker weet de wijze Amin el Hawadja

alle dieven en alle diefstallen. Hij helpt de bestolenen altijd in het

weervinden van het gestolene. En natuurlijk worden hem dan moeite en

tijdverlies vergoed. Moet hij schade lijden, omdat anderen zoo dom zijn,

dat zij zich laten bestelen? Goed, dan zullen wij de uitnoodiging

aannemen.

Het wordt een groote reis. Naälin ligt een twintig kilometer Noordwest

van Jeruzalem. Maar er is geen weg. Een looppad, hoogstens een

paardenpadje door de bergen. Wij moeten met den morgentrein gaan naar

Ramleh of Ludd. Overnachten. En 's morgens te paard de bergen in. Geen

wagenweg. Twee dagen uit en thuis. Adil doet thuis ook niets. Maar op

reis niets doen is toch nog weer geheel anders.

Jerusalem(#15083) · 第 31 / 59 题