Wij eten te zamen gezeten op een muurtje van steen, gelijk men hier om
de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, druiven, vijgen en heerlijk
water, diep uit den grond. Galed maakt praatjes met de voorbijgangers.
Een vrijmoedige vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. Een
afschuwelijke oom met een heel aardig neefje. De afschuwelijke oom doet
niets. Het neefje houdt het Engelsche kerkhof zuiver. Hij verdient een
shilling per dag, maar is dan ook "ketier mabsout", gij zoudt zeggen:
reuze-tevreden.
Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe verlaten. Want ik kan niet te
laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, geweldige stad. Er is een
vergadering van den Aschkenazischen kerkeraad, waarin eenige oude
twisten zullen worden geliquideerd en eenige nieuwe zullen worden
opgezet.