VII.

Wij eten te zamen gezeten op een muurtje van steen, gelijk men hier om

de tuinen bouwt. Wij hebben wittebrood, druiven, vijgen en heerlijk

water, diep uit den grond. Galed maakt praatjes met de voorbijgangers.

Een vrijmoedige vrouw, die de veldwachter blijkt te zijn. Een

afschuwelijke oom met een heel aardig neefje. De afschuwelijke oom doet

niets. Het neefje houdt het Engelsche kerkhof zuiver. Hij verdient een

shilling per dag, maar is dan ook "ketier mabsout", gij zoudt zeggen:

reuze-tevreden.

Maar wij moeten de Stad van Jirméjahoe verlaten. Want ik kan niet te

laat terugzijn in Jeruzalem, de oude, geweldige stad. Er is een

vergadering van den Aschkenazischen kerkeraad, waarin eenige oude

twisten zullen worden geliquideerd en eenige nieuwe zullen worden

opgezet.

Jerusalem(#15083) · 第 29 / 59 题