VI.

Wij legeren ons in een vijgentuin buiten het dorp aan den weg naar Aïn

Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze

beschutten zalig voor de zon en de wind waait er koelte. Altijd maar op

een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, een wereld, die ook de wereld

van Jeremia is geweest. Hoe héél dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben

de booze mannen van Anatoth geleefd en zijn zij gestraft, gestorven (XI

21-23). Deze tuin of daaromtrent is het veld, dat Jeremia kocht van

Hanameël, den zoon van zijn oom. (XXXII:7). En in onze dagen worden de

woorden vervuld (XXXII:15): "Want zoo spreekt de Heer der heirscharen,

de God van Israël: weder zullen er in dit land huizen, velden en gaarden

gekocht worden". De uren gaan in een zalige onschuld, en het is al mooi

middag geworden, wanneer ik, mijn booze vrienden van den Joodschen

Wachter gedenkend, lees, welk een geweldig défaitist Jeremia is

geweest. (XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan ook levend in een put

geworpen.

Jerusalem(#15083) · 第 28 / 59 题