Wij legeren ons in een vijgentuin buiten het dorp aan den weg naar Aïn
Fara. De vijgen zijn nog niet rijp, maar de bladeren gewoon heerlijk. Ze
beschutten zalig voor de zon en de wind waait er koelte. Altijd maar op
een heuvel, uw dorpen. Het wijde uitzicht, een wereld, die ook de wereld
van Jeremia is geweest. Hoe héél dichtbij en hoe vertrouwd. Hier hebben
de booze mannen van Anatoth geleefd en zijn zij gestraft, gestorven (XI
21-23). Deze tuin of daaromtrent is het veld, dat Jeremia kocht van
Hanameël, den zoon van zijn oom. (XXXII:7). En in onze dagen worden de
woorden vervuld (XXXII:15): "Want zoo spreekt de Heer der heirscharen,
de God van Israël: weder zullen er in dit land huizen, velden en gaarden
gekocht worden". De uren gaan in een zalige onschuld, en het is al mooi
middag geworden, wanneer ik, mijn booze vrienden van den Joodschen
Wachter gedenkend, lees, welk een geweldig défaitist Jeremia is
geweest. (XXXVIII: 1-6). Maar hij werd dan ook levend in een put
geworpen.