Nu is het maar een handvol hoopje huizen op zijn heuvel. Veilig voor de
vijanden en open voor den wind. Toch maakt het van verre een beteren
indruk dan groote dorpen als Zarnoeka en Jibné, die van leemen huizen
zijn gebouwd. Hier zijn de huizen van gehouwen steen. Sommigen half-af.
Of opgezet als groote huizen en afgebouwd met een dwaas, kort dak.
Anatoth was een Levietenstad in Benjamin, (Josua XXI: 18) waarheen
Salomo Abjathar den Priester bande, zeggende: "ga naar Anatoth, op uwe
akkers" (I Koningen II 26-27). Misschien, dat wij wel over de akkers van
Abjathar gaan. Hier is het land, waarover de Assyriërs naar Jeruzalem
trokken in de dagen van Jesaja (X 28:32). Toen moet het "arme Anatoth"
een vesting geweest zijn. "Anatoth en hare voorsteden", zegt de
Statenvertaling in Josua XXI:18. "Voorsteden": ik twijfel of die
vertaling goed is. Hebben al die steden daar genoemd dan maar
"voorsteden" gehad? Het "Hebreeuwsch" heeft: "migrach", dat is: een
weideplaats voor vee, rondom de stad, en in nieuwer Hebreeuwsch ook een:
bouwterrein voor een huis.
Men zegt, dat in de huizen zeer oude steenen zijn ingebouwd. Ik zie,
midden tusschen nieuwe steenen, een groot, grauw bouwblok, dat lijkt op
de steenen van den Klaagmuur.
Men begint nu weer aan de voorbereidingen voor archaeologische
onderzoekingen. Anatoth zal ook wel een beurt krijgen.