Neen: mijn vriend Adil Effendi zal niet met mij medegaan. Dit is geen
tocht voor hem. Maar Galed, de Arabier van het meisjesweeshuis. Ach: er
is veel veranderd. Een nieuwe geest, wel werkzaam, wel bedrijvend. Maar
waar is de vroomheid, en waar is de heiligheid van Sabbath en
Feestdagen. O, de onheilige geest van materialisme en van zelfzucht, die
over dit land vaart. Galed is nog in het weeshuis. Hij wil gaarne
medegaan. Een dag van geen werk en zeker een bakschisch.
Wij gaan op weg vóór het vijf uur is. Natuurlijk zal het niet regenen.
Het regent niet van April tot over November. Maar het heeft zwaar
gedauwd, dat nu in grijze tochten optrekt.
De wegen bekend tot aan het groote huis van den Groot-Mufti aan den
Olijfberg-weg. En telkens de verrukkelijke uitzichten over Jeruzalem. De
stad, oud, binnen zijn muren. En de nieuwe wijken uitgebouwd en
uitgeblokt over heuvelen en dalen. Zooveel kerken. Een heilige stad van
allen. Maar toch onze stad. Bij het huis van den Groot-Muftie links en
langs weer een groot Engelsch soldaten-kerkhof. Er is hier voortdurend
zwaar gevochten van de bezetting van Jeruzalem tot de laatste doorbraak.
Dan in de bergen. De stad heel weg. Alles stil. Een voetweg. Anatoth
ligt buiten groot verkeer. Er is een rijweg, door de Engelschen in den
oorlog uitgelegd. Maar wij gaan kleinere, snelle wegen. Een kleinverkeer
tusschen dorp en stad. Wat druiven, tomaten, brandhout op kleine
ezeltjes heen en weer. De bergen kaal. Zwarte geiten grazen het droge
zomergras als hooi. De hitte stijgt. Van verre Anatoth. Land en stad van
Jirméjahoe.