Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige stad, die de navel is van Gods
aarde. Ik zit in te veel vereenigingen en in te veel commissies die toch
alle niets doen dan praten. Eén dag wil ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth
gaan, dat tegenwoordig Anata heet. De stad van Jirméjahoe, dien gij
Jeremia noemt. Gij weet, hoe het Boek van Jeremia begint: "De woorden
van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die te Anatoth
waren, in het land van Benjamin". Verleden jaar ben ik door Anatoth
gekomen, op weg naar het water en naar den waterval van Aïn Fara.
Jeremia. Het was de Profeet, dien ik vreesde. Jesaja, de milde,
lichtere. Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder geworden. Ik heb alle
Drie Weken lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen en het Boek van zijne
voorspellingen en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, zware taal
lichter geworden.
Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, ter bedevaart. Voeten gaan over
dezelfde landen, die Jeremia ook is gegaan. Dezelfde lijnen zien van
zijne bergen, toen Jeremia een Joodsche jongen was. Hoe vertrouwd alles
en hoe dichtebij. Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien liggen, dat de
Arabieren noemen Nebi Samwil, dat is Profeet Samuël. En verder het oude
Bijbelsche Rama. Alleen hier, in dit Heilige Land kan men de Heilige
Schriften beleven.
Naar Anatoth gaan en in een van de vijgentuinen de Boeken van Jeremia
lezen, waar de zon heet is en de schaduw koel.