III.

Jeruzalem drukt mij. De kleine, geweldige stad, die de navel is van Gods

aarde. Ik zit in te veel vereenigingen en in te veel commissies die toch

alle niets doen dan praten. Eén dag wil ik weg zijn. Ik wil naar Anatoth

gaan, dat tegenwoordig Anata heet. De stad van Jirméjahoe, dien gij

Jeremia noemt. Gij weet, hoe het Boek van Jeremia begint: "De woorden

van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de Priesteren, die te Anatoth

waren, in het land van Benjamin". Verleden jaar ben ik door Anatoth

gekomen, op weg naar het water en naar den waterval van Aïn Fara.

Jeremia. Het was de Profeet, dien ik vreesde. Jesaja, de milde,

lichtere. Maar dit jaar is Jeremia mij vertrouwder geworden. Ik heb alle

Drie Weken lang Jeremia gelezen. De Klaagliederen en het Boek van zijne

voorspellingen en vermaningen. Nu is ook zijn donkere, zware taal

lichter geworden.

Ja, dus wil ik naar Anatoth gaan, ter bedevaart. Voeten gaan over

dezelfde landen, die Jeremia ook is gegaan. Dezelfde lijnen zien van

zijne bergen, toen Jeremia een Joodsche jongen was. Hoe vertrouwd alles

en hoe dichtebij. Op zijn hoogen heuvel Mizpah zien liggen, dat de

Arabieren noemen Nebi Samwil, dat is Profeet Samuël. En verder het oude

Bijbelsche Rama. Alleen hier, in dit Heilige Land kan men de Heilige

Schriften beleven.

Naar Anatoth gaan en in een van de vijgentuinen de Boeken van Jeremia

lezen, waar de zon heet is en de schaduw koel.

Jerusalem(#15083) · 第 25 / 59 题