II.

Wij hebben den dag gehouden als naar gewoonte, in het jongensweeshuis

van den heer Goldsmit. De kleine synagoge ontdaan van alles, wat maar

overbodig is. Wij zitten des avonds op den grond bij weinig kaarslicht.

De jongens barrevoets. De treurzangen en Jeremia's klaaglied worden

gelezen. Ook den volgenden dag worden zij gelezen. Het is alles als

andere jaren. Maar het is toch niet alles als andere jaren. Een Joodsche

Landvoogd. En sinds de Paaschdagen een verandering ten goede, die ons

vaak angstig maakt, zóó glad en goed als alles gaat. Kunnen wij nu alle

droeve dagen nog zóó blijven gedenken?

Des Zaterdagavonds ben ik naar den Klaagmuur gegaan. Verleden jaar heb

ik het niet gedaan. Men had mij gewaarschuwd. Ik had moeten luisteren.

Welk een droevig en beschamend schouwspel. In den nacht van den negenden

Ab komen de vrome Joden aan den Klaagmuur bidden en leeren. En de

nationale jeugd komt er zich bij vermaken. De jongens zoo vrij mogelijk

gekleed. Meisjes, in lichte toiletjes, rokjes kniekort, dragen

wandelstokjes, zooals zij het de vrouwen van Engelsche officieren soms

zien doen. Luid gebabbel en er wordt gezellig gerookt. Vaarwel

Klaagmuur. Een droevig en beschamend schouwspel. De nationale opvoeding

van de laatste jaren heeft hun geen eerbied voor ons nationaal verleden

geleerd. Ongetwijfeld heeft onze Palestinensche jeugd veel goeds. Ziet

onze gymnasten en onze padvinders maar eens door de stad gaan. Maar

anderzijds: welk een oppervlakkigheid en gemis aan ernst. Talrijke jonge

onderwijzers bijvoorbeeld verlaten het land om buiten verder te

studeeren of prettiger te leven, terwijl zij hier zoo noodig zijn. Het

zijn in vele gezinnen ook de jongelui, die de ouders dwingen tot een

leven boven stand. Wij worden hier af en toe grimmig. Bijvoorbeeld: men

heeft buiten het land een groote reclame gemaakt met het feit, dat

Palestina een honderdduizend pond heeft gegeven voor het

Bevrijdingsfonds. Heel mooi. Maar nu hooren wij, dat allerlei beloofde

giften niet betaald worden. Een groot gedeelte van het geld is gegeven

door ambtenaren en door de onderwijzers, die vlak daarop een groote

salarisverhooging kregen en nu weder een duurte-toeslag. O, de geest van

materialisme en egoïsme! Die moeten wij te boven komen.

Jerusalem(#15083) · 第 24 / 59 题