Een heilige Sabbathmiddag. De groote meisjes van het weeshuis maken een
wandeling. En ik mag mee. Waarheen? Naar een bron van levend water,
ergens bij het dorp van Silouan. O, dat is voor Holland niets, levend,
stroomend water. Maar dat kennen wij hier in Jeruzalem heelemaal niet.
Grachten zijn hier niet. Rivieren, die des zomers niet uitdrogen, zijn
er maar heel weinig in het land. Die bron bij Silouan is dus heel iets
bijzonders. Hij geeft alleen maar water vlak na den grooten regentijd,
den zoogenaamden vroegen regen. Een paar weken daarna is alles droog.
Ik ken het dorp Silouan wel. Het ligt tusschen den stadsmuur vóór de
Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. Uit mijn raam zie ik het.
Boomen zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo een dorp als de dorpen
van de Zaanstreek bijvoorbeeld. De huizen zijn niet van hout en niet van
roode gebakken steen. Maar van grauwe gehouwen steenen. Van verre gezien
lijkt het nog wel heel wat. Maar van binnen zijn de huizen doodarmoedig.
Er zijn twee deelen van het dorp: Arabisch en Joodsch-Jemenietisch.
Van het Weeshuis gaan we dus eerst weer het domein van de Russen over.
Dat is altijd. Dan door de zonnige Jaffastraat (wie geeft ons hier eens
wat lekkere, frissche boomen?) en bij de Jaffapoort rechts-af.
Dat is weer een les in het levende Hebreeuwsch, de wandeling met de
meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd heet en het madeliefje. En hoe de
vogels heeten, waarvan het gefluit over ons heen valt. Op den grooten
heerweg hebben de meisjes keurig geloopen in rijen van twee en twee.
Maar op de smalle windende binnenweggetjes loopen we een voor een,
voorzichtig. En zon, zon, zon. Overal zon. Een van de plaatsen, waar
anders het levende water welt, is al droog. Maar de ander, een eindje
verder, die is er nog. Dat ligt in een dal tusschen heuvels. Het is heel
druk bij die bron van levend water, want levend water is hier zeldzaam.
Twee Arabische vrouwen wasschen groenten schoon. Morgen zitten ze
daarmee onder dat wijde, witte, gewelf in den Bazaar, domein van de
groente-dames. Maar bij de bron krijgen ze vandaag ruzie met een
Jemenietisch joodsch jongetje, die pootjes baadt. Het jongentje is met
zijn bekje volkomen tegen de Arabische dames opgewassen. Van hun woorden
versta ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche jongentje een betoog
levert, dat een bron van levend water iedereens eigendom is, dat wil
zeggen: niemands. Een bron, een bron: laat u niet in de war brengen door
dat woord. Het is heelemaal geen gemetselde put of een diepe spelonk,
waaruit het water ruischt. Neen, een kuil in den bodem, daaruit borrelt
heel stil het water. En over de randen van den kuil vloeit het weg in
het landschap. Een oud vrouwtje laat een klein kindje drinken. Het oude
vrouwtje is heelemaal niet bang voor typhus. En het kleine kindje ook
niet. De twee Arabische vrouwen zijn met de groenten klaar. Het
Jemenieten-jongetje heeft het rijk alleen. Tot er een gendarme aankomt.
Een Arabier prachtig op zijn paard. Hij jaagt het booze jongentje den
waterkuil uit. En hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker voor zoo
een beest, levend water. O, er gebeurt hier van alles. In dit kleine dal
tusschen heuvelen. Een meisje met een groote, zwarte geit. Die geit moet
naar huis. Maar de geit wil niet naar huis. En het meisje met de geit
vechten. Precies zooals twee booze jongens vechten. De zware, zwarte
geit zal het winnen. Maar neen, daar komt de koeienvrouw, die juist met
haar koeien op weg is naar huis, en die drijft de zware, zwarte geit den
goeden weg op.
Iedereen komt kijken naar dit wonder van levend water. Een vader en een
zoontje. Twee mooie Arabieren. De vader op een schimmel. En het zoontje
op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst de beide beesten lekker drinken.
En dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker lui tegen een heuveltje
liggen. Zeker houden ze veel van elkander. Want de vader heeft zijn arm
om het zoontje heengeslagen. En het zoontje heeft zijn kop tegen den
vader aangelegd. Zeker bewondert de vader zijn mooien, sterken jongen.
Of denk ik dat maar? En denkt de vader aan prijs van koren, paard en
ezel? Hoe ziet de ziel van een Arabischen vader er uit? Hoe ziet mijn
ziel er uit?
O, er gebeurt van alles. Een kleine vrouw vult een gelooide geitenhuid
met lekker frisch water. En een jongentje komt met een petroleumblik om
water te halen. Er gaat vijftien liter in. Hij kan het blik wel vullen.
Maar niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw met de gelooide geitenhuid
helpt hem gaarne. Hij houdt het blik met beide kleine handjes vast. En
op sterke, vaste pootjes loopt de jongen huiswaarts. Later zullen wij
hem nog eens tegenkomen, op den terugweg met het leege blik, gaande naar
die milde levende bron.
Heel het landschap is décor. En dit leven is tooneel, waarnaar de Dood
mild en ernstig kijkt, dat alle spelers op hun tijd het tooneel
verlaten.
De schaduwen van den laten middag leggen zich langer en lager. Wij gaan
op den terugweg. Nu een anderen weg. Langs de tuintjes, die wij van den
stadsmuur af in terrassen zien vallen naar het dal toe. Waar water komt,
daar is het land ook vruchtbaar. Elk plekje grond wordt hier voor
groententuin gebruikt. De vrouwen werken daar, vroeg oud en geduldig.
Waar wij de stad naderen wordt het tooneel weer voller. Op een muurtje
zit een rij vrouwen uit te kijken naar het dal. Als de meisjes net twee
mannen voorbijkomen, slaan zij snel de sluiers voor. Op den hoogen
stadsmuur wemelt het van luie kijkers. Heel eenzaam op een heuveltje
zitten een bruin broertje met een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe de
avond daalt. O, wat is dat lief en teeder.
De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. Maar ik ben moe en bedroefd.
Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel wind en zee tusschen de beide steden. Zal
ik te Jeruzalem mijn rust vinden? Ach, de rust en de onrust zijn niet in
de steden, maar in onze ziel. En ook hier ben ik een diep-gekweld
mensch.
Deze zalige Sabbath eindigt. En dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar
te zijn: wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath
in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.