V.

Een heilige Sabbathmiddag. De groote meisjes van het weeshuis maken een

wandeling. En ik mag mee. Waarheen? Naar een bron van levend water,

ergens bij het dorp van Silouan. O, dat is voor Holland niets, levend,

stroomend water. Maar dat kennen wij hier in Jeruzalem heelemaal niet.

Grachten zijn hier niet. Rivieren, die des zomers niet uitdrogen, zijn

er maar heel weinig in het land. Die bron bij Silouan is dus heel iets

bijzonders. Hij geeft alleen maar water vlak na den grooten regentijd,

den zoogenaamden vroegen regen. Een paar weken daarna is alles droog.

Ik ken het dorp Silouan wel. Het ligt tusschen den stadsmuur vóór de

Duitsche Plaats in het dal tot den Olijfberg. Uit mijn raam zie ik het.

Boomen zijn er niet. Het is heelemaal niet zoo een dorp als de dorpen

van de Zaanstreek bijvoorbeeld. De huizen zijn niet van hout en niet van

roode gebakken steen. Maar van grauwe gehouwen steenen. Van verre gezien

lijkt het nog wel heel wat. Maar van binnen zijn de huizen doodarmoedig.

Er zijn twee deelen van het dorp: Arabisch en Joodsch-Jemenietisch.

Van het Weeshuis gaan we dus eerst weer het domein van de Russen over.

Dat is altijd. Dan door de zonnige Jaffastraat (wie geeft ons hier eens

wat lekkere, frissche boomen?) en bij de Jaffapoort rechts-af.

Dat is weer een les in het levende Hebreeuwsch, de wandeling met de

meisjes. Ik hoor hoe de wilde mosterd heet en het madeliefje. En hoe de

vogels heeten, waarvan het gefluit over ons heen valt. Op den grooten

heerweg hebben de meisjes keurig geloopen in rijen van twee en twee.

Maar op de smalle windende binnenweggetjes loopen we een voor een,

voorzichtig. En zon, zon, zon. Overal zon. Een van de plaatsen, waar

anders het levende water welt, is al droog. Maar de ander, een eindje

verder, die is er nog. Dat ligt in een dal tusschen heuvels. Het is heel

druk bij die bron van levend water, want levend water is hier zeldzaam.

Twee Arabische vrouwen wasschen groenten schoon. Morgen zitten ze

daarmee onder dat wijde, witte, gewelf in den Bazaar, domein van de

groente-dames. Maar bij de bron krijgen ze vandaag ruzie met een

Jemenietisch joodsch jongetje, die pootjes baadt. Het jongentje is met

zijn bekje volkomen tegen de Arabische dames opgewassen. Van hun woorden

versta ik niets. Maar ik vermoed, dat het joodsche jongentje een betoog

levert, dat een bron van levend water iedereens eigendom is, dat wil

zeggen: niemands. Een bron, een bron: laat u niet in de war brengen door

dat woord. Het is heelemaal geen gemetselde put of een diepe spelonk,

waaruit het water ruischt. Neen, een kuil in den bodem, daaruit borrelt

heel stil het water. En over de randen van den kuil vloeit het weg in

het landschap. Een oud vrouwtje laat een klein kindje drinken. Het oude

vrouwtje is heelemaal niet bang voor typhus. En het kleine kindje ook

niet. De twee Arabische vrouwen zijn met de groenten klaar. Het

Jemenieten-jongetje heeft het rijk alleen. Tot er een gendarme aankomt.

Een Arabier prachtig op zijn paard. Hij jaagt het booze jongentje den

waterkuil uit. En hij laat zijn paard drinken. Dat is lekker voor zoo

een beest, levend water. O, er gebeurt hier van alles. In dit kleine dal

tusschen heuvelen. Een meisje met een groote, zwarte geit. Die geit moet

naar huis. Maar de geit wil niet naar huis. En het meisje met de geit

vechten. Precies zooals twee booze jongens vechten. De zware, zwarte

geit zal het winnen. Maar neen, daar komt de koeienvrouw, die juist met

haar koeien op weg is naar huis, en die drijft de zware, zwarte geit den

goeden weg op.

Iedereen komt kijken naar dit wonder van levend water. Een vader en een

zoontje. Twee mooie Arabieren. De vader op een schimmel. En het zoontje

op een mooi wit ezeltje. Ze laten eerst de beide beesten lekker drinken.

En dan drinken ze zelf. En ze gaan lekker lui tegen een heuveltje

liggen. Zeker houden ze veel van elkander. Want de vader heeft zijn arm

om het zoontje heengeslagen. En het zoontje heeft zijn kop tegen den

vader aangelegd. Zeker bewondert de vader zijn mooien, sterken jongen.

Of denk ik dat maar? En denkt de vader aan prijs van koren, paard en

ezel? Hoe ziet de ziel van een Arabischen vader er uit? Hoe ziet mijn

ziel er uit?

O, er gebeurt van alles. Een kleine vrouw vult een gelooide geitenhuid

met lekker frisch water. En een jongentje komt met een petroleumblik om

water te halen. Er gaat vijftien liter in. Hij kan het blik wel vullen.

Maar niet op zijn hoofd zetten. Nu, de vrouw met de gelooide geitenhuid

helpt hem gaarne. Hij houdt het blik met beide kleine handjes vast. En

op sterke, vaste pootjes loopt de jongen huiswaarts. Later zullen wij

hem nog eens tegenkomen, op den terugweg met het leege blik, gaande naar

die milde levende bron.

Heel het landschap is décor. En dit leven is tooneel, waarnaar de Dood

mild en ernstig kijkt, dat alle spelers op hun tijd het tooneel

verlaten.

De schaduwen van den laten middag leggen zich langer en lager. Wij gaan

op den terugweg. Nu een anderen weg. Langs de tuintjes, die wij van den

stadsmuur af in terrassen zien vallen naar het dal toe. Waar water komt,

daar is het land ook vruchtbaar. Elk plekje grond wordt hier voor

groententuin gebruikt. De vrouwen werken daar, vroeg oud en geduldig.

Waar wij de stad naderen wordt het tooneel weer voller. Op een muurtje

zit een rij vrouwen uit te kijken naar het dal. Als de meisjes net twee

mannen voorbijkomen, slaan zij snel de sluiers voor. Op den hoogen

stadsmuur wemelt het van luie kijkers. Heel eenzaam op een heuveltje

zitten een bruin broertje met een bruin zusje. En ze kijken uit, hoe de

avond daalt. O, wat is dat lief en teeder.

De meisjes kakelen hun mooi Hebreeuwsch. Maar ik ben moe en bedroefd.

Jeruzalem. Amsterdam. Zooveel wind en zee tusschen de beide steden. Zal

ik te Jeruzalem mijn rust vinden? Ach, de rust en de onrust zijn niet in

de steden, maar in onze ziel. En ook hier ben ik een diep-gekweld

mensch.

Deze zalige Sabbath eindigt. En dan? En dan? Laat ik probeeren dankbaar

te zijn: wanneer de Sabbath het Heilige van ons leven is, dan is Sabbath

in Jeruzalem zeker het Allerheiligste wel.

Jerusalem(#15083) · 第 22 / 59 题