Den Sabbathmorgen ga ik ten gebede in het jongensweeshuis van den heer
Goldsmit, ook Hollander van geboorte. Gij allen, die Jeruzalem kent,
weet, dat het een heele stap is. Van de Duitsche Plaats de groote Poort
uit, den Bazaar door en de Jaffastraat tot de Bioscoop en dan links af.
Daar ligt dat weeshuis lekker buiten. In het licht en in de zon. Net wat
Joodsche jongens noodig hebben om gezond en sterk te zijn. Wij beginnen
hier onze gebeden vroeg: zeven uur. Maar als ik van huis ga, tegen half
zeven, dan is men in de beide Synagogen van de Duitsche Plaats al
begonnen. En ook in de kleine Synagoge, bij het Jodenstraatje, waar de
kolenkoopman zijn winkeltje heeft, en waar de twee gaarkeukentjes zijn.
Maar het kolenwinkeltje en de gaarkeukentjes zijn nu dicht omdat het
Sabbath is. Alle winkeltjes in het Jodenstraatje zijn dicht. In de
dichte poelierswinkeltjes kraaien de geoordeelde hanen en hennen. In het
Specerijenstraatje zijn de lekkere winkeltjes al open: Even inkijken.
Even snuiven. En dan verder.
Bij het Weeshuis is een kleine Synagoge. Vierkant met ramen in twee
muren. En een dak van wit gekalkt gewelf. De zon van Palestina is een
gezegende zon: die is altijd en overal.
Er zijn hier een vijftig kleine jongens in het weeshuis. Laten wij
later eens hun geboorteplaatsen opschrijven. Dan kunnen wij zien, hoe
het Joodsche Volk gezworven heeft. Er zijn in het Weeshuis zelf geen
tien manspersonen boven dertien jaar, die toch bij de gebeden aanwezig
moeten zijn. Maar zij komen dan van de stad. Wij zijn een groot gezin.
Vreemden komen hier niet. De dienst gaat heel stil en heel eenvoudig,
zooals wij dat in Holland gewoon zijn.
De zegen door de Priesters wordt elken Sabbathmorgen tweemaal
uitgesproken. De huisbediende is uit den Priesterstam. Heel de week
dient hij in het dagelijksch huiswerk. Maar de Sabbath maakt hem tot
onzen meerdere. Hij heft zijn handen over ons hoofd. En hij spreekt de
eeuwen-woorden. Hij weet ook zeer wel, dat hij mijn meerdere is. Een
kroon van goud en edelsteenen, zooals Europeesche koningen, dragen onze
Priesters niet. Zij dragen een kroon, die God zelf voor hen heeft
gesneden en geslagen uit de steenen en uit het goud van Zijn Woord.
O, mijn hart: die vijftig kleine Joodsche jongens, zoo allen tusschen
zes en twaalf, langs welke wegen zijn zij hier gekomen? En langs welke
wegen zullen zij gaan tot aan hun eindelijke rust? Maar hun jeugd is
hier goed en tevreden. Wat zal men kinderen voor hun leven beter
medegeven dan den lichten last van een goede en tevreden jeugd? Hier is
licht, lucht en zonneschijn. Ga maar eens door de straten van de oude
stad. Ja, zeker zijn ze mooi en bijzonder met hun overvloed van trappen,
steegjes, poortjes, gewelven, hofjes en huizen. Maar er zijn hoeken,
waar de zon nooit komt en waar de lucht loodzwaar is.
O, ik houd van de vijftig kleine Joodsche jongens. Na den kerkdienst
hebben zij natuurlijk honger. En zij krijgen lekkere beste boterhammen,
nadat de zegen over wijn en brood is uitgesproken. En dan zingen zij de
gezangen van den Sabbathmorgen. Ik zou ze wel graag willen vragen of er
ook verschil bestaat in waarde tusschen een woord in de gewone
spreektaal en tusschen datzelfde woord in de taal van de gebeden. Maar
voor die vragen weet ik geen woorden. Dus ga ik maar eens kijken, hoe ze
na eten knikkeren en petjebal spelen. O, gij houdt dat voor gewone
kinderachtige spelletjes, waarvan niets te leeren valt? Ja dat kan in
het Hollandsch wel zoo zijn.
Maar in het Hebreeuwsch is dat heelemaal niet zoo. Juist van die levende
Joodsche jongens moet ik de levende Joodsche taal leeren. Maar zij zijn
lastige leermeesters. Zoo vlug en zoo beweeglijk. En ik wil ze niet
vragen naar die kleine woordjes, waarmee ze spelen en samen hanselen.
Want dan is het aardige, het levende er meteen af als van gevangen
vlinders. En ik zucht. En ik denk, dat ik wel te oud ben geworden om
petjebal en bokspringen te leeren in het Hebreeuwsch.
Op het terras van het weeshuis, vol, vol, vol van zon, is nu bezoek. En
daar kunt ge nu alle talen hooren, waarvan Jeruzalem wemelt: Arabisch,
Spanjoliet, Jiddisch, Bockhaarsch. Hebreeuwsch wordt door de ouderen nog
betrekkelijk weinig gesproken. Maar het weeshuis spreekt alleen
Hebreeuwsch, zoodat de jongens hun Arabisch, Spanjoliet, Jiddisch of
Bockhaarsch al goed vergeten. Zoo zijn de ouderen dan wel verplicht
Hebreeuwsch met de kinderen te spreken. En derwijze bouwen de jongeren
het Hebreeuwsch op in de harten der ouderen.