III.

Dien eersten Vrijdagavond ben ik gast geweest in het meisjesweeshuis van

den heer en mevrouw Zilversmit, waarvan ik u al gesproken heb.

O, in dit huis is de Sabbath een heerlijkheid. De zegenspreuken over

Wijn en Brood worden met heilige wijding uitgesproken. Voor ons is het

Hebreeuwsch toch altijd een taal, die buiten het dagelijksch leven

staat. De Hebreeuwsche woorden kennen wij uit de gebeden. Zij hebben een

bijzondere gevoelswaarde voor ons. Maar gewone ongewijde woorden eener

spreektaal zijn zij niet. Voor deze meisjes anders. Het Hebreeuwsch is

hun gewone spreektaal. De gevoelswaarde van de gewijde woorden is een

geheel andere. Maar achter al die waarde-verschillen zal ik wel nooit

komen. Want zelfs al was Hebreeuwsch mij zoo eigen als Hollandsch, dan

nog zou ik mijn subtiele bedoelingen niet onder woorden kunnen brengen.

En de meisjes zouden de gevoelens, die mijn woorden opwekken, ook niet

kunnen uitspreken. Wat doet de zee: de landen verbinden of de landen

scheiden? Wat doet de Taal: de menschen verbinden of de menschen

scheiden?

Na het eten worden de lieve, milde Sabbathzangen gezongen.

En dan gaan we met ons allen in de hal. In de groote, heldere hal. De

kleine meisjes spelen hun Hebreeuwsche spelletjes. Altijd een aardige

les in het Hebreeuwsch. De grootere babbelen in troepjes. En er komen

gasten. Want iedereen is hier welkom. Er is een Amerikaansche majoor.

Een kerel als een boom. Bij nader onderzoek blijkt hij een doodgoede

medicus te zijn. En, glimlachend als een oud, moe man, zie ik de oude

geschiedenis, die toch altijd nieuw blijft. Er komt een lieve, slanke

jongen, een leerling van de Onderwijzers-Kweekschool. Zijn ouders wonen

in een van de koloniën. Maar hij is hier in de stad op school. Ik

geloof, dat hij hier zijn vriendinnetje heeft. En ik geloof, dat het

vriendinnetje dat ook wel weet. En ook wel weten wil. Neen, ik ben nog

niet zoo een heel oud man. Maar ik heb toch iets meer dan deze kinderen

beleefd. Gij kent het gedicht van Jacques Perk: "Dorpsdans" natuurlijk

even goed als ik. Een grijsaard ben ik nog wel niet. Maar het komt toch.

Het komt toch. Misschien zal het leven deze twee lieve kinderen wel

genadig zijn. En misschien is het ook heelemaal niet waar.

Het is wel heel laat, wanneer wij scheiden. Donkere maan. Maar er is de

goedgezinde Challad met de lantaarn, die mij naar het hotel brengt. In

het hotel wel alles wreed en vreemd. Voor de deur ligt een van de

kellners op een mail-stoel te slapen, bij wijze van deurwachter. Na den

lieven vrede in het groote gezin van den heer en mevrouw Zilversmit is

dit wel wreed en vreemd. Als ik in de kleine hotelkamer kom, moet ik

mijn hand drukken op mijn hart barstend van pijn. En ik moet tegen het

dwaze, bonzend hart zeggen: "Dwaas hart, zoudt ge nu niet eens rustig

willen zijn... ge zijt hier, waar ge altijd hebt willen zijn. En wie te

Jeruzalem sterft, wordt daar ook begraven."

Jerusalem(#15083) · 第 20 / 59 题