De Klaagmuur. Wij zijn den eersten Vrijdagmiddag naar den Klaagmuur
gegaan. Door een warreling van straten en steegjes, waarin ik nu ook al
geen vreemdeling meer ben. Een van mijn Joodsch vrienden te Amsterdam
(wat is Amsterdam ver! Wat zijn de Joodsche vrienden ver!) schreef mij,
dat hij het liefst zou willen weten, met welke gevoelens ik den
Klaagmuur voor de eerste maal genaderd ben. Beste vriend, antwoord ik
hem nu: in een ontroering waarvoor ik geen woorden weet. En waarvoor gij
ook geen woorden weten zult, wanneer uw Dag gekomen is. Als wij woorden
wisten voor deze ontroeringen, zouden wij geen individuen zijn. Maar wij
zouden samenvloeien als water droppels. De woorden, die ik nu
opschrijf, zijn niet meer dan punten, die niet dringen in belangrijke
gevoelssegmenten.
Wat is ons deze Klaagmuur eigenlijk? Zouden wij zonder dit brok muur
niet weten, dat wij eenmaal een tempel hebben gehad, teeken van
nationale en godsdienstige eenheid? Wij zouden het zeker ook weten
zonder dien Muur. En toch: zouden wij het gevoelen, zóó diep als thans,
wanneer we onze handen leggen op de eeuwige steenen en onze
middaggebeden spreken, het betraande gelaat naar den muur gekeerd? De
Klaagmuur: ik heb wel eens gevreesd, dat het niet geheel en al echt zou
zijn, het schreien en weenen bij dezen Muur. Maar ik vrees dat nu niet
meer. Zij, die lijden, en het zijn duizenden en duizenden in Jeruzalem,
gaan naar den Klaagmuur om hun eigen leed daar uit te schreien. Hun
tranen zijn zoo echt, als het leed van het Joodsche volk. In de
reisboeken staan ons leed en onze muur aangeteekend als een
bezienswaardigheid. De touristen, die waar voor hun geld moeten hebben,
gaan op Vrijdagmiddag tegen den avond, omdat er dan veel Joodsche
klagers komen. Ik ga bijna elken dag, tegen den laten middag. Ik heb
mijn hoekje tegen den Muur al gevonden. Geen vreemde ben ik er meer. Ik
heb dat onbeschrijfelijke gevoel gevonden van thuis te zijn. Ik ga er
vanzelf heen. O, de weg is niet moeilijk. Dat lijkt maar zoo in het
begin. Tusschen den Bazaar en het Jodenstraatje links. De straat in, die
daalt met zooveel trappen en die zoo vol is van Arabisch beeldhouwwerk.
Er is één plaats, waar twee prachtige poortjes tegenover elkander zijn.
Dan rechts afslaan. En dan altijd maar links. Overal waar de straat een
hoek maakt, links. Altijd trapjes af. Een wonderlijke overdaad van
straatjes, steegjes, trapjes, hoekjes en holletjes. En dan niet dat
donkere poortje in. Maar dat weggetje, waar 's middags de zon schijnt.
Dan zijt ge er. En dan, mijn beste vriend, wordt het onbeschrijflijk.
Dan komt uw Ziel in het Gebied, waar geen Woorden doordringen. Dan zijt
ge gansch alleen...
En tot zoover had ik geschreven, Vrijdagmiddag, toen de bazuin geblazen
werd over de Duitsche Plaats, om de Joodsche vrouwen te waarschuwen, dat
zij de Sabbathlampen moesten aansteken. Toen ben ik ook met schrijven
opgehouden. Zeker, beste vriend, zal ook uw Dag komen, dat gij voor het
eerst naar den Klaagmuur zult gaan. Zoo God het wil, zal ik gaarne uw
geleider zijn. Tot gij den weg door warrelende straatjes en steegjes
alleen zult weten. En verlangen zult alleen te gaan, als uw hart zwaar
is en gij verlangen zult uit te schreien tegen den muur.