Zijn jongste broer, die Chalil heet, zal met mij naar den hoogen
uitzichttoren gaan, naast de Russische kerk. Overal rondom Jeruzalem
ziet men den hoogen, spitsen toren, met die vier opengebouwde
rondgangen. Chalil weet alles. Meer dan tweehonderd traptreden van een
ijzeren brandladdertrap. Maar dan het uitzicht, eindeloos door den
hellen dag. Beneden het Kidrondal. En Jeruzalem dichtbij. De tempelberg,
dien de Arabieren noemen Haram Esch-Scherif, dat is: het Groote
Heiligdom. De Omarmoskee met den zwaren grijzen koepel en de moskee
Aksa. Heel ver in de Jaffa-buitenstad de witte Russenkerk. En de koepel
van de Abessinische kerk vlak bij 't meisjesweeshuis. Anderzijds de
Doode Zee, een uur of vijf, zes weg. Maar lijkt werpelings dichtbij. De
weg naar Jericho. De kleine Chalil weet alles. Hij spreekt wat Engelsch.
Maar ook de kleine Chalil is niet rustig: "Mijn Heer," zegt Chalil, die
trouwens al veertien jaar is: "wanneer gij alles hebt gezien, zouden wij
naar beneden kunnen gaan. En ik zou ook kunnen gaan, waar mijn broer
Saïd is gegaan, want mijn oom is vermoord." Ach, waarom zou ik den
kleinen Chalil afhouden van wat naar bloed ruikt! Wij dalen weer
draaiend: "Over de tweehonderd treden," zegt de kleine Chalil: "ik ga te
paard. De geheele familie zal gekomen zijn."