Maar toch, Saïd Effendi heeft mij heel lief ontvangen. Ik heb het huis
gezien. En genoten van het uitzicht over de stad vlakbij. Er is iets,
dat Saïd Effendi hindert. Ik zie het. Natuurlijk komt het niet te pas,
hem zonder meer, daarnaar te vragen. Maar het is niet ongepast, wanneer
ik hem de gelegenheid geef, het mij te zeggen. Ik vraag en zeg dus héél
voorzichtig. En hij antwoordt: Ja, hij heeft een droeve zaak. De jongste
broeder van zijne moeder is voor eenige dagen doodgeschoten in een twist
aan de overzijde van den Jordaan. In het gebied van den Emir Feisul.
Toen Saïd uit Hebron thuis is gekomen, heeft hij het gehoord. Gisteren
is het lijk overgebracht. En vandaag is er een familievergadering in een
dorp dichtbij, wat te doen. Want men kan dezen moord niet zoo maar
ongewroken laten. Saïd is donker, woedend. Niet, omdat hij den dooden
oom zoo liefhad. Maar omdat een zeer ernstige beleediging de heele
familie is aangedaan. Men kan het niet ongewroken laten. Maar aan den
anderen kant is zoo een geval in de familie zeer lastig. Vooral omdat
de familie van den moordenaar een zeer machtige familie is.
Hij vraagt het mij dringend: "Zal ik hem in alle vriendschap vergeven,
wanneer hij nu naar den familieraad rijdt? Zal ik niet boos zijn? Hij
moet. Het is de laatste dag van zijn verlof. En hij moet weer te paard
naar Hebron."
Hij rijdt weg. In een duistere woede. Op wien is hij woedend? Op den
oom, of op den moordenaar?