Wij rijden terug, in het mooie wagentje, dat nummer 18 heeft. Want Saïd
Effendi wil niet, dat het mooie Arabisch-Circassische jongetje thuis is,
wanneer hij weer naar Hebron gaat voor langen tijd. Het jongetje en
zijn tante gaan dus mee naar Jeruzalem. En ik denk, dat ik het mooie
jongetje zal laten fotografeeren, eene verrassing voor Saïd. De zalige
dag. En het heerlijke landschap. Het kleine jongetje praat onverdroten.
Als vogels en bloemen. Is het Arabisch? Is het Circassisch? Neen, neen,
het is Arabisch. O, ik schiet al aardig op. Hij lacht. Hij ziet iets,
dat heel lief is. En hij is heel blij in 't mooie wagentje.
De fotograaf. Hij prijst zich zelven. Hij heeft lang in Duitschland
gewerkt. Neen, hij heeft den keizer nooit gefotografeerd. Maar hij heeft
wel eens een negatief des keizers ontwikkeld. Hij weet dus alles van de
Duitsche politiek. "Mijnheer," zegt hij: "gelooft u mij, ik weet het,
men doet dien man onrecht." Maar wat een onmogelijk jongetje is dit! Een
Joodsch jongetje! Neen. Circassisch-Arabisch. Juist, mijnheer, dat dacht
ik wel. Wat kijkt dat kind ernstig. Een kind moet vroolijk zijn, niet
waar? Altijd vroolijk.
Het jongetje Daoud is niet bang. Het kijkt maar heel wonderlijk naar
dien raren, drukken man, die hem plooit en vouwt. Die fluit, danst en
zingt. En het Arabisch-Circassisch jongetje Daoud wil niet lachen. In 's
hemelsnaam. Morgen kan ik de platen komen zien. Wat een onmogelijk strak
jongetje.
En den volgenden dag. Nog zaliger weer. 's Middags langs den Jaffaweg
naar den fotograaf. En ik ontmoet mijn vriend, den stadsaanplakker en
omroeper R. Leizer Schwartz. Heden heeft hij mij aangeplakt, voor een
lezing, vanuit een groote hengselmand. En heel waardig overhandigt hij
mij een van de biljetten. Zóó geeft men een doodvonnis.
En de photograaf: "Mijnheer, de foto is prachtig, ik ken mijn vak. Maar
wat een onmogelijk kind is dit."