Langs het Engelsche hoofdkwartier. O.E.T.A. noemen wij dat hier. En het
Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat
moderner Mohammedanen. Daarom word ik ook voorgesteld aan zijn zuster.
Zij draagt toch nog de dracht van aanzienlijke Arabische dorpsdames. En
een kostbaar bontgeborduurd borststuk. Ook het Circassische moedertje.
Zij is een klein, blond vrouwtje. Heel weinig naast den grooten,
donkeren Saïd. Ze verwachten weder een kindje. Saïd heeft het mij al
verteld. Och, mocht het ditmaal een meisje zijn. En mocht het leven!
Maar wat zal men er aan doen. 't Is alles min Allah.
Ook het jongetje Daoud. Een heel mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het
blonde gezichtje van de moeder. En de donkere, sterke oogen van den
vader. Hij spreekt Circassisch met de moeder. En Arabisch met den vader
en de andere familieleden. Natuurlijk vindt hij dat heel gewoon. Hij
heeft de twee talen even vlug geleerd als andere kinderen hun eene taal
leeren. O, hij is heelemaal niet bang voor den vreemden chawadja.
Trouwens, de chawadja heeft koekjes en bonbons meegebracht. Een tafeltje
bij het raam met het mooie uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, koekjes
en bonbons. Waarom zou de kleine Daoud den chawadja vreezen? Hij heeft
een stemmetje als muziek. En hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht
met witte tandjes achter roode lipjes. Mag Daoud nog een koekje? Hier in
het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje met een heel klein pittig
fesje. Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat daar beneden ligt en
eigenlijk El Kuds heet, dan heeft hij een grijs Europeesch pakje aan, en
een bruin mutsje op.