III.

Langs het Engelsche hoofdkwartier. O.E.T.A. noemen wij dat hier. En het

Arabische dorp Tur. Saïd Effendi. Hartelijk welkom. O, zij zijn al wat

moderner Mohammedanen. Daarom word ik ook voorgesteld aan zijn zuster.

Zij draagt toch nog de dracht van aanzienlijke Arabische dorpsdames. En

een kostbaar bontgeborduurd borststuk. Ook het Circassische moedertje.

Zij is een klein, blond vrouwtje. Heel weinig naast den grooten,

donkeren Saïd. Ze verwachten weder een kindje. Saïd heeft het mij al

verteld. Och, mocht het ditmaal een meisje zijn. En mocht het leven!

Maar wat zal men er aan doen. 't Is alles min Allah.

Ook het jongetje Daoud. Een heel mooi Arabisch-Circassisch jongetje. Het

blonde gezichtje van de moeder. En de donkere, sterke oogen van den

vader. Hij spreekt Circassisch met de moeder. En Arabisch met den vader

en de andere familieleden. Natuurlijk vindt hij dat heel gewoon. Hij

heeft de twee talen even vlug geleerd als andere kinderen hun eene taal

leeren. O, hij is heelemaal niet bang voor den vreemden chawadja.

Trouwens, de chawadja heeft koekjes en bonbons meegebracht. Een tafeltje

bij het raam met het mooie uitzicht op Jeruzalem. En dan koffie, koekjes

en bonbons. Waarom zou de kleine Daoud den chawadja vreezen? Hij heeft

een stemmetje als muziek. En hij zegt woordjes als bloemen. Hij lacht

met witte tandjes achter roode lipjes. Mag Daoud nog een koekje? Hier in

het dorp draagt hij een Arabisch japonnetje met een heel klein pittig

fesje. Maar als hij naar Jeruzalem gaat, dat daar beneden ligt en

eigenlijk El Kuds heet, dan heeft hij een grijs Europeesch pakje aan, en

een bruin mutsje op.

Jerusalem(#15083) · 第 14 / 59 题