Des avonds gaan wij naar het feest van de mannen in een ander huisje in
de buurt: "Hut des Vredes". Het is er natuurlijk heel vol. En heel heet.
Er is muziek. En er zijn psalmzingers met luide stemmen en gevaarlijke
handslagen. Er is natuurlijk tractatie: gezouten erwten, noten,
amandelen, granaatappels. En er is een stevige flesch. Zure,
lichtgegiste wijn. En een drank, duivelsch, dien zij zelf stoken uit
gedroogde rozijnen.
Er wordt ook gedanst. Maar niet mannen met vrouwen. Het zou niet passen.
Wel komen de dames af en toe eens om een hoekje kijken. Doch zelfs dat
is al nieuwerwetsch. Hier danst een groote magere man. Een lange,
zwarte jongen. Misschien is hij wel de Duivel. Doch het zou niet passen
hem dit te vragen. Die met hem mede danst, maar zij raken elkander niet
aan, is een slanke, donkere Jemenietenknaap van vijftien jaren, die
Jozef heet en schoenmaker is. Maar hij is ook de beste danser van de
gemeente. Daar gaat de muziek en het handengeklap. De man en de jongen,
heel aandachtig en voorzichtig gaan. Zij zien, strak getoomd, naar
elkanders voeten. Naar elkanders gebaren. Langzaam, weinig bewogen in
den aanzet. Maar de muziek wordt wild. De handen van de gemeente slaan
sneller. De man en de jongen sneller gaan. Ademloos. Muziek, muziek,
muziek. De handen, die hel slaan. De jongen. De man. Ademloos. Uit, uit,
uit.
Geheele verhalen worden zoo door de Jemenieten gedanst. Zij dansen van
den avond tot den morgen.
Als de jongen Jozef weer wat op zijn adem is gekomen, krijgt hij
natuurlijk een bakschisch. En ik mag wel vragen welk verhaal in dezen
dans is uitgebeeld. "Mijnheer," zegt het jongetje Jozef blozende: "dit
is een dans op den herbouw van den Heiligen Tempel." En dan te weten,
dat ik mij den herbouw van den Heiligen Tempel altijd héél anders had
voorgesteld.