II.

De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags voor de vrouwen.

Wanneer wij het huis van den vader der bruid in de buurt "Hut des

Vredes" binnenkomen. En wij overzien de schare. Reine is niet

uitgenoodigd. De Heks heeft niet gewild. Wij hooren, dat R. Mozes Azirie

niet gekomen is. Ook geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel een mooien

brief. En daar doen we het dan maar weer mee. Het geheele vertrek is

volgestampt met Jemenietische dames en Jemenietisch kroost. Enkele zijn

al Europeesch gekleed. Maar de meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt.

Zij hebben veel goud, goed uitgesneden en geslagen. Want de Jemenieten

zijn mooie goudsmeden. En zij zitten op den grond, zóó dicht aaneen, dat

wij er haast niet meer bij kunnen. Wij krijgen natuurlijk een

eereplaats, vlak bij Hamame. De bruidegom is niet aanwezig. Het zou niet

passen. Hamame zit als een pop in wit met sluier van wit en zilver. Zij

mag geen woord zeggen en zij moet zedig haar oogen neerslaan. Het is

wel heel moeilijk, maar wij vertrouwen, dat zij na de bruiloft haar

schade wel weer zal inhalen. Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes,

eveneens popwit, popstijf, ieder met een hooge, witte kaars ter hand.

Alle dames rooken. Sigaretten of stevig een Turksche waterpijp. Er is

ook zang, handgeklap en een geweldige muziek van pauken en blikken

pannen. En de tractatie. Een royale tractatie. Er wordt een groot

waschbekken binnengebracht met gepelde kersaussies, noten, amandelen.

Een kleiner met granaatappelpitten. Ieder krijgt een zakdoek vol. En dan

maar muizen. Gelukkig, dat dit Hamame geen geld kost. Want ieder van de

gasten betaalt. Alles is hier tegenwoordig duur. Ook de bruiloften. Het

minste is nu al twee shilling. Wij hebben een pond gegeven. Maar

iedereen acht ons dan ook. Wij worden op het middagmaal genoodigd:

brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch gerecht van peper met peper.

Het is een heel mooi feest. De moeder van Hamame straalt. Zij heeft een

bloeienden rosen peignoir met zwierige witte kant aan hals en mouwen. En

zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als het medeloopt, houdt zij nog

over.

Alle meubelen zijn uit het kamertje gedaan. Alleen het groote ledikant

is gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, lief en rustig, het kleine

kroost. Soms als er een wakker wordt--er liggen er negen--dan staat een

Jemenietische moeder op en zij geeft haar kindje het moederdrinken. Er

is een héél jong en héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij een héél

mooi Jemenietisch jongetje behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat een

aardig jongetje is dit." Maar zij kijkt mij aan, verschrikt en

verontwaardigd. Welk een gevaarlijke dwaasheid een kind zóó te prijzen.

Wil ik, dat het Booze Oor het hooren zal! Dus schudt het mooie

Jemenietische moedertje het mooie Jemenietische jongetje gevaarlijk door

elkander. En zij misprijst het: "Dit is een vreeselijk kind. Slecht en

leelijk. God heeft mij wel gestraft. Maar wat zal ik doen! Een arme

vrouw." Aan de beleefdheid ten aanzien van het Booze Oor is hiermede

voldaan. Zij pakt nu den lieven kleinen knaap weder beet. En zij legt

hem te slapen lekker in het rijtje van de kleine maffertjes.

Jerusalem(#15083) · 第 4 / 59 题