De feestelijkheden beginnen des Donderdagmiddags voor de vrouwen.
Wanneer wij het huis van den vader der bruid in de buurt "Hut des
Vredes" binnenkomen. En wij overzien de schare. Reine is niet
uitgenoodigd. De Heks heeft niet gewild. Wij hooren, dat R. Mozes Azirie
niet gekomen is. Ook geld heeft hij niet gestuurd. Maar wel een mooien
brief. En daar doen we het dan maar weer mee. Het geheele vertrek is
volgestampt met Jemenietische dames en Jemenietisch kroost. Enkele zijn
al Europeesch gekleed. Maar de meeste Jemenietisch, bont, dat kakelt.
Zij hebben veel goud, goed uitgesneden en geslagen. Want de Jemenieten
zijn mooie goudsmeden. En zij zitten op den grond, zóó dicht aaneen, dat
wij er haast niet meer bij kunnen. Wij krijgen natuurlijk een
eereplaats, vlak bij Hamame. De bruidegom is niet aanwezig. Het zou niet
passen. Hamame zit als een pop in wit met sluier van wit en zilver. Zij
mag geen woord zeggen en zij moet zedig haar oogen neerslaan. Het is
wel heel moeilijk, maar wij vertrouwen, dat zij na de bruiloft haar
schade wel weer zal inhalen. Naast Hamame zitten de bruidsmeisjes,
eveneens popwit, popstijf, ieder met een hooge, witte kaars ter hand.
Alle dames rooken. Sigaretten of stevig een Turksche waterpijp. Er is
ook zang, handgeklap en een geweldige muziek van pauken en blikken
pannen. En de tractatie. Een royale tractatie. Er wordt een groot
waschbekken binnengebracht met gepelde kersaussies, noten, amandelen.
Een kleiner met granaatappelpitten. Ieder krijgt een zakdoek vol. En dan
maar muizen. Gelukkig, dat dit Hamame geen geld kost. Want ieder van de
gasten betaalt. Alles is hier tegenwoordig duur. Ook de bruiloften. Het
minste is nu al twee shilling. Wij hebben een pond gegeven. Maar
iedereen acht ons dan ook. Wij worden op het middagmaal genoodigd:
brood, vleesch en hilme, een Jemenietisch gerecht van peper met peper.
Het is een heel mooi feest. De moeder van Hamame straalt. Zij heeft een
bloeienden rosen peignoir met zwierige witte kant aan hals en mouwen. En
zij, het wijf, fel, bruin. Een heks. Als het medeloopt, houdt zij nog
over.
Alle meubelen zijn uit het kamertje gedaan. Alleen het groote ledikant
is gebleven. Daarin slaapt, op een rijtje, lief en rustig, het kleine
kroost. Soms als er een wakker wordt--er liggen er negen--dan staat een
Jemenietische moeder op en zij geeft haar kindje het moederdrinken. Er
is een héél jong en héél mooi Jemenietisch moedertje, waarbij een héél
mooi Jemenietisch jongetje behoort. Ik mag het zoo prijzen: "wat een
aardig jongetje is dit." Maar zij kijkt mij aan, verschrikt en
verontwaardigd. Welk een gevaarlijke dwaasheid een kind zóó te prijzen.
Wil ik, dat het Booze Oor het hooren zal! Dus schudt het mooie
Jemenietische moedertje het mooie Jemenietische jongetje gevaarlijk door
elkander. En zij misprijst het: "Dit is een vreeselijk kind. Slecht en
leelijk. God heeft mij wel gestraft. Maar wat zal ik doen! Een arme
vrouw." Aan de beleefdheid ten aanzien van het Booze Oor is hiermede
voldaan. Zij pakt nu den lieven kleinen knaap weder beet. En zij legt
hem te slapen lekker in het rijtje van de kleine maffertjes.