Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen
het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde,
op de Turfkaai.
Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de
Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker
zou genezen.
En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol
te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.
--Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?
--Neen, mijn zoon, zei Lamme.
--Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken,
en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?
--Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne
beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?
Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:
--Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem
was zoo zoet als die van een engel.
--Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.
--Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.
--Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.
Uilenspiegel antwoordde:
--Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór
Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar
geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?
--Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van
anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en
andere uitroeiingen van 't arme menschdom? Wanneer zal de gezegende
vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en,
te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik
eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.
--Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in
Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars,
in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard
zien hangen.
--Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn
teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want,
weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor
was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met
andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen
uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het
volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester
en echtgenoot.
--Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal
roepen: "Licht de ankers!" en de kapiteins, die zijn commando
herhalen? Wij moeten in zee steken.
--Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.
--Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.
--Zonder mij? sprak zij.
--Ja, zei Uilenspiegel.
--Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?
--Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.
--Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is,
doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been
is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet
gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal
met u gaan.
--Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers,
mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug,
dan doen op de wereld zonder u?
Maar Nele zeide:
--Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in
de houten schansen, waar de busschutters staan.
--Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend
Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:
IJzeren is mijn harentuit,
Daar schutte natuur mij mede.
Lederen is mijn eersten huid,
Stalen is mijn tweede.
Laat de dood, de leelijke, wreede,
Loeren naar een ander buit.
Lederen is mijn eerste huid,
Stalen is mijn tweede.
"Leven" steekt op mijn vendel uit,
Leven in 't licht der rede.
Lederen is mijn eerste huid,
Stalen is mijn tweede.
En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de
liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en
weende te gelijk.
De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva's schepen tot in de
haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en
nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de
poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen,
onder doodsbedreiging.
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
--De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten
hem verlossen.
Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling,
dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke
hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in
den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak
vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met
Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap,
en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:
--Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat
gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak,
vleeschbank, soepketel!
De monnik antwoordde, in woede ontstoken:
--Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik
uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij
zoo dik zijt als ik.
Maar Lamme stiet hem voort en sprak:
--Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met
mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis
en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt
van mijnen schoen.
Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme
insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.