XXI.

Nadat de Geuzen, Rammekens, Geertruidenberg, Alkmaar hadden genomen,

stevenden zij weder naar Vlissingen.

Nele, die genezen was, wachtte Uilenspiegel af aan de haven.

Hem ontwarend, riep zij:

--Thijl, mijn vriend Thijl, zijt ge niet gewond?

Uilenspiegel zong:

"Leven" steekt op mijn vendel uit,

Leven in 't licht der rede.

Lederen is mijn eerste huid,

Stalen is mijn tweede.

--Laas! zeide Lamme, trekkebeenend: de kogels, granaten, kettingkogels

regenen rondom hem, en hij voelt er niets van dan den wind. Gij zijt

voorzeker een geest, Uilenspiegel, en gij ook Nele, want gij zijt

beiden altijd jeugdig en luimig.

--Wat hebt gij aan uw been? vroeg Nele tot Lamme.

--Ik ben geen geest en zal het nooit wezen, sprak hij. Ik heb dan

ook een bijlslag gekregen in mijne bil,--mijne vrouw had er zulke

ronde en schoone!--zie, ik bloed. Laas! waarom is ze niet hier om

mij te verzorgen?

Maar Nele antwoordde grammoedig:

--Waarom vraagt gij naar een meineedige vrouwe?

--Spreek geen kwaad van haar, antwoordde Lamme.

--Neem, zeide Nele, hier is balsem, dien ik meebracht voor

Uilenspiegel; strijk hem op uwe wond.

Toen Lamme zijne wond verbonden had, werd hij blijgeestig, want de

balsem stilde de bijtende smert; en zij klommen alle drie op het schip.

Toen Nele den monnik met gekluisterde handen op het dek zag wandelen,

vroeg zij:

--Wie is die? Dien zag ik reeds; en ik meen hem te kennen.

--Gelijk hij waait en draait, is die honderd gulden rantsoen weerd,

zeide Lamme.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 181 / 195 题