XIX.

In de Oogstmaand, als de volgepropte hennen doof blijven voor 't geroep

van den haan, die heur zijne liefde toekraait, zeide Uilenspiegel

tot zijne matrozen en soldaten:

--De bloedige hertog is te Utrecht; hij durft er een lieftallig

plakkaat afkondigen, hetwelk onder meer genadige giften belooft:

honger, dood, ondergang voor de inwoneren der Nederlanden, die zich

niet onderwerpen. Alles wat nog recht staat, zegt hij, zal neergehaald

worden, en Zijn Koninklijke Majesteit zal het land bevolken met

vreemdelingen. Bijt, hertog, bijt! De vijl breekt de tanden der

adderen; wij, wij zijn vijlen! Vive le Geus!

... Alva, het bloed maakt u dronken! Meent gij, dat wij uwe

bedreigingen vreezen of aan uwe goedertierenheid gelooven? Uw

roemrijke regimenten, wier lof gij door heel de wereld verkondigdet,

uwe schepen, wier naam alleen uwen overmoed schetsen, bleven zeven

maanden lang Haarlem beschieten, een zwakke stede, door heure poorters

verdedigd. Zij zijn als gewone stervelingen in de lucht gesprongen,

bij 't ontploffen der mijnen; poorters begoten ze edelmoedig met pik;

eindelijk behaalden zij een roemvolle zege: zij keelden ontwapende

vijanden. Hoort gij Gods uur slaan, bloedige beul?

... De stede verloor haar wakkere verdedigers, hare steenen zweetten

bloed. Bij heure belegering verloor en verteerde zij twaalfhonderd

tachtigduizend gulden. De bisschop is terug in de stede; met vlugge

hand en vroolijke tronie herwijdt hij de kerken; don Frederik woont die

wijdingen bij; de bisschop wascht hem de handen, dewelke voor God rood

zullen blijven, en hij gebruikt het Avondmaal onder de beide gedaanten,

wat aan het arme gemeen niet geoorloofd wordt. En de klokken luiden, en

de beiaard werpt in de lucht zijn stille, welluidende tonen: 't is als

een engelenkoor op een kerkhof. Oog om oog, tand om tand! Vive le Geus!

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 179 / 195 题