In de Slachtmaand, de maand der sneeuwstormen, ontbood de Zwijger
Uilenspiegel vóór zich. De prins beet op de koord van zijn maliënhemd.
--Luister goed, sprak hij.
Uilenspiegel antwoordde:
--Mijne ooren zijn gevangenispoorten; men komt er gemakkelijk binnen,
maar uitgeraken is een andere zaak.
De Zwijger sprak:
--Ga door Namen, Henegouw, Vlaanderen, Zuid-Brabant, Antwerpen,
Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Noord-Holland overal verkondigen,
dat, zoo het geluk onze heilige en kerstene zaak te lande verlaat,
de strijd tegen onrecht en geweld ter zee voortgezet wordt. God
bestiere genadig deze zaak, in voor- als in tegenspoed. Te Amsterdam
gekomen, zult gij Pauwel Buys, mijn getrouwe, rekenschap geven van
uwe zending. Hier zijn drie passen, door Alva zelven onderteekend en
gevonden op verslagenen te Quesnoy-le-Comte. Mijn schrijver heeft ze
behoorlijk ingevuld. Wellicht vindt gij onderwege een goeden gezel,
in wien gij vertrouwen moogt stellen. Goeden zijn zij, die op 't
gezang van den leeuwerik antwoorden met 't krijgshaftig gekraai van
den haan. Hier zijn vijftig gulden. Wees moedig en trouw.
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. En hij
toog henen.