Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen,
alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede
droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt
opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette
hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus
verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.
De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om
eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan 't sneeuwen.
Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men
liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.
Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn
gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door
dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij
velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den
gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.
Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende
in 't veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als
grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter
hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.
Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag
tot hem. "Wellicht", zeide hij in zichzelven, "wellicht zijn het
pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in
de sneeuw." Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen,
en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten,
welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende
zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards,
naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om
de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood
van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam
dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller
te doen aanstappen.
Uilenspiegel sprak:
--Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.
En hij zond een kogel in 't voorhoofd van een der ruiters, die dood
van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte
kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen
waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl
hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om
het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door
een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.
De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter,
hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van
zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij,
in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:
--Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk
naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te
worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen,
zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden
of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.
Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:
Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wij dezen
soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.
De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld
onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:
--Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er
zoeter. Komt, broeders, komt mede.
Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:
--Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat
de paus de antichrist is.
En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch
te begraven.
Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene
huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed
hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en
ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat
zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden
der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.
Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier,
brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En
zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de
gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig
liet begaan.
Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden,
waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.
Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:
--Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De
duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn
de Zeven?
En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem
als een ademtocht fluisteren: "Zoek in dood, puinen en tranen".
En hij ging voort.