Het was het einde van Wijnmaand. Geld ontbrak aan den prins; zijne
soldaten hadden honger. Zij morden; de prins marcheerde naar Frankrijk
en bood den hertog 't gevecht aan, maar deze weigerde het.
Uit Quesnoy-le-Comte vertrokken om naar het land van Kamerijk te gaan,
ontmoette hij tien compagnieën Duitschers, acht vendels Spanjaards
en drie kornetten ruiterij, aangevoerd door don Ruffele Henricis,
zoon des hertogen, die te midden van het gevecht in het Spaansch riep:
--Slaat dood! Slaat dood! Geen kwartier! Leve de Paus!
Don Henricis met zijne mannen, tegenover de compagnie busschutters,
waarbij Uilenspiegel tiendenier was, wierp zich op hen.
Uilenspiegel zeide tot den bentserjant:
--De tong van dien beul ga ik in tweeën snijden!
--Snij maar op, zei de serjant.
En met een goed gerichten kogel, verplette Uilenspiegel tong en kaken
van don Ruffele Henricis, zoon van den hertog.
Uilenspiegel schoot ook den zoon van den markies Delmares van zijn
peerd.
De acht vendels en de drie kornetten werden verslagen.
Na die zegepraal zocht Uilenspiegel naar Lamme, in het kamp en in
't ronde, maar hij vond hem niet.
--Laas! sprak hij, hij is weg, mijn vriend Lamme, mijn dikke vriend. In
het vuur van den strijd zal hij het gewicht van zijn buik vergeten
en de Spaansche vluchtelingen achternagezet hebben. Buiten adem, zal
hij op den weg gevallen zijn als een zak. En zij zullen hem opgeraapt
hebben, om er losgeld van te trekken; losgeld voor kerstenspek. Vriend
Lamme, waar zijt gij toch, waar zijt gij, mijn arme, vette vriend?
Uilenspiegel zocht hem overal, en, hem niet vindend, was hij treurig
gestemd.