Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze
beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de
dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren
de voorwaarden die Riesencraft stelde.
Het gevecht greep plaats in een kleine heide.
Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van
boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk,
zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander
hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in
geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed
hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge,
doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij
kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel,
het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas
opgetuigd was.
Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier
had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas
was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas
van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur,
het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste
dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten,
dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot
hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog
niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te
doen zingen als hij soms stierf.
Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop
een bezem van dennentakken. Aan den linkerkant van zijnen zadel hing
zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots:
een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets
dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.
Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed,
schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch
de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.
Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat
de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits
Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde
er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van
Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.
--Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen,
sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan
te laten.
--Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.
Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid,
met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.
De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook
eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.
Hij antwoordde:
--Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos,
is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.
Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde
gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij
dienvolgens, dat alles in regel was.
Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd,
dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek
gepantserd was.
Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht
als eene lans houdend, zeide hij:
--Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets
doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om
ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar
zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten
altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht
voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt
tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft,
om onschuldige poetsen, een en twintig zijner gezellen vermoord,
maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling,
een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de
minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien
twistzieken hond eens averechts te borstelen.
Riesencraft antwoordde:
--Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het
misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in
tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne
hersenpan steekt.
De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd
den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het
grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der
getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het
geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen
eendrachtiglijk grazen in 't ronde.
De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen
van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het
teeken van 't gevecht.
En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg
met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem;
Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen,
liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong
uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend
van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in
de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde
hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen
slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen
en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.
Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts
en averechts over zijn aangezicht en sprak:
--Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!
En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders,
en zeide altijd:
--Roep om genade, of ik doe u hem slikken!
Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede
en gramschap.
--God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.
En treurig gestemd, toog hij henen.