De hertog wilde geen slag leveren, doch bestookte den Zwijger op 't
platteland tusschen Gulik en de Maas; Oranje deed overal den stroom
peilen, te Hond, Mechelen, Elsen, Meersen, en overal vonden zij er
voetangels in, om de mannen en peerden te kwetsen, die zouden pogen
den stroom over te steken.
Te Stokhem vonden de peilers er geene. De prins beval daar te waden. De
ruiters togen over den stroom en hielden zich aan den overkant in
slagorde, om het overzetten der troepen langs den kant van het bisdom
Luik te dekken; vervolgens kwamen, van den eenen tot den anderen oever,
tien rotten busschutters en boogschutters staan, die aldus den loop van
de Maas stremden, en in het midden van welke zich Uilenspiegel bevond.
Hij stond tot aan de dijen in 't water; somwijlen zelfs werden hij
en zijn peerd opgeheven door een plotselinge, verraderlijke golving.
Hij zag de voetknechten overgaan met een zakje buskruit op het
hoofd en hunne bussen omhoog; vervolgens kwamen de ammunitiewagens,
de haakbussen, de geleiders, de stukrijders, de slangen, de dubbele
slangen, de falkonetten, de dubbele falkonetten, de serpenten, de
halve serpenten, de dubbele serpenten, de slangen met wijden mond, de
kanonnen, de halve kanonnen, de dubbele kanonnen, de donderbussen, de
sakers, de kleine stukken bereden veldgeschut, geladen op voorwagens,
met twee peerden bespannen, en die in alles geleken op de kanonnen,
die men de Pistolen des keizers heette; daarna kwamen Vlaamsche
ruiters en landsknechten, die de achterhoede moesten dekken.
Uilenspiegel zocht iets te drinken, dat hem verwarmen kon. De
boogschutter Riesencraft, een Hoogduitscher, een mager, reusachtig
en wreedaardig man, die nevens hem op zijn peerd zat te ronken,
rook geweldig naar brandewijn. Uilenspiegel zocht naar de flesch
op het kruis van zijn peerd, en vond ze aan zijnen schouderband
geknoopt. Hij sneed het koordeken door, nam de flesch en dronk lustig
van het verkwikkende nat. De gezellen boogschutters zeiden tot hem:
--Geef ons ook een slok.
En hij gaf hun de flesch. Als de brandewijn op was, bond hij 't
koordeken weer aan de flesch en wilde ze terugbrengen op de borst van
den soldenier. Toen hij den arm oplichtte om de bottel er onder te
steken, werd Riesencraft wakker. Naarde bottel grijpend, wilde hij
zijn gewone koe melken. Daar hij er echter geene melk meer in vond,
ontstak hij in hevige woede.
--Dief, sprak hij, wat hebt gij gedaan met mijn brandewijn?
Uilenspiegel antwoordde:
--Uitgedronken. Onder doornatte ruiters is de brandewijn van één,
de brandewijn van allen. Gierig zijn is leelijk.
--Morgen daag ik u uit tot een tweegevecht, antwoordde Riesencraft,
en ik beloof u fatsoenlijk aan stukken te kappen.
--Wij zullen alles afkappen, sprak Uilenspiegel, hoofden, armen en
beenen. Maar zijt gij verstopt, dat uwe tronie zoo zuur ziet?
--Dat ben ik, sprak Riesencraft.
--Dan moet gij purgeeren, in stee van te vechten.
Zij kwamen overeen zich 's anderen daags met elkander te meten. Elk
mocht gekleed en uitgerust zijn lijk hij verkoos, en zij zouden naar
elkander kerven en kappen met een korten stootdegen.
Uilenspiegel vroeg, om voor zich zelven, den degen te mogen vervangen
door eenen stok, hetgeen hem toegestaan werd.
Intusschen waren al de soldaten over den stroom getogen en reeds
stelden zij zich in goede orde, op de bevelen hunner kapiteins en
kolonels. Nu verlieten ook de tien rotten schutters hunne vochtige
stelling.
En de Zwijger sprak:
--Wij marcheeren op Luik,
Uilenspiegel was er blijde om en riep met al de Vlamingen:
--Lang leve Oranje! Naar Luik! naar Luik!
Maar de vreemdelingen, en voornamelijk de Hoogduitschers zeiden, dat
zij te nat waren om te marcheeren. Te vergeefs bevestigde de prins
hun, dat zij naar een gewisse zegepraal gingen, naar eene stede met
hert en ziel hun toegedaan: zij wilden niet luisteren, en ontstaken
groote vuren om zich te warmen, met hunne onttuigde peerden.
De aanval der stad werd uitgesteld tot 's anderen daags; en Alva,
hoogst verbaasd over den stoutmoedigen overtocht, vernam door zijne
spionnen, dat de soldaten van den Zwijger nog niet bereid waren tot
den aanval.
Daarop deed hij Luik en heel de omliggende streek bedreigen alles in
vuur en vlam te zullen zetten, zoo de vrienden des prinsen er eenige
beweging maakten. Geeraard van Groesbeek, de bisschoppelijke serjant,
deed zijne soldaten wapenen tegen den prins, die te laat kwam door
de schuld der Hoogduitschers, benauwd voor een beetje water in hunne
schoenen.