De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas
over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des
hertogen te verschalken.
Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer
behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.
Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche
edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels
en hopmans van 't gevolg van den Zwijger.
En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met
elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De
anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne
leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand
grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man,
vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.
Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de
beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij
stelde een einde aan 't gevecht en bezocht heel het kamp om zich te
toonen, opdat men niet zeggen zou: "De Zwijger is dood, de oorlog
is gedaan".
's Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond
Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch
minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps
aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras
hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op
den weg.
Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide
in dezelfde tale:
--Wat hebt gij gedaan?
--Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des
konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannen en
soldaten tot elkander: 't Is uit lage eerzucht, dat de prins den
koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als
onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen;
voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die
strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding
doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in
't bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan
den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.
--'s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:
--De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik,
waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent 't lot van Egmond en
Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome
de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men
laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den
Zwijger niet heeft.
--De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.
--De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag
grooter. Waar zijn de brieven?
Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een
klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven
openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en
eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:
--Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.
--Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in't leven niet
blijven.
In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun
eene lanteerne brengen.
Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte
gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander
gingen.
Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag
hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit
op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij
gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne
vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot
hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.
Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoost tegen met
een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:
--Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.
--Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?
--Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in
het lijf der verraders. Maar volgt mij.
En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee
mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen:
de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen
brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.
Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen
herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die
beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van
Hessen en met andere heeren.
Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen,
kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen
wilde ontvangen.
Hij kwam buiten.
Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich
gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:
--Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg
gedood.
Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.
De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in
bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen,
van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van
graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius
van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van
Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde
brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht
werden verdeeling te zaaien in 's prinsen gevolg, om zijne krachten te
verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren
aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens
verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met
bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger,
in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld;
zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Als
belooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten
gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend
dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen,
met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.
Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen,
heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten;
zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen
te verwijten.
Allen riepen met groot rumoer:
--Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!
Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de
Zwijger sprak:
--Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar
de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.
En de heeren en soldaten riepen:
--Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!
En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor 't onrecht.
Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:
--Begraaft ze als kerstenen.
--En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij
kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.
Toen sprak de Zwijger:
--Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen
met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht
en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden
ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.
--Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf,
zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.
--Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden;
de slagen zal hij deemoedig verdragen.
--En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik
niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.
--Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode
gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem
niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!
Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den
stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.
--Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij
trekt. Hij is in 't geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend
Uilenspiegel.
--Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren
in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester
een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn,
zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,
--Zijt gij gereed? vroeg de provoost.
--Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te
worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de
stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar
ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een
armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan
doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een
heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke
wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u
knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.
--Spoed u, sprak de stokmeester.
--Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge
moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen,
want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor
het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen
zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid;
laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij
mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout,
als het u belieft.
--Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten
en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig
en medelijdend.
Lamme kwam achteraan en zuchtte:
--Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.
Toen sprak de prins:
--Ik schenk hem genade.
Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme's buik, dwong
hem tot dansen en sprak:
--Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.
En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn
dikken buik.
En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel
als hij kon.