Uilenspiegel en Lamme, elk gezeten op een ezel, dien zij kregen van
Simon Simonsen, een der getrouwen van den prins van Oranje, reden
overal rond om de poorters te verwittigen van de snoode inzichten
van den bloedigen koning en om tijdingen uit Spanje te vernemen.
Zij verkochten groenten, waren gekleed als boeren en liepen de
markten af.
Bij het terugkeeren van de markt van Brussel, zagen zij in een steenen
huis, op de Kareelkaai, in een lage kamer, eene dame gekleed in samijt,
hoog van kleur, vol van boezem en schalksch van oog.
Zij sprak tot een jonge en poezele keukenmeid:
--Gij zult een goede klont boter in de pan moeten smelten, want ik
houd niet van saus met ijzersmaak.
Uilenspiegel stak zijn neus voor het venster.
--Ik wel, sprak hij, want een hongerige maag kan veel verdragen.
De dame keerde zich om en sprak:
Wat is dat voor een moeial, die zich met mijne keuken bemoeit?
--Eilaas! schoone dame, sprak Uilenspiegel, liet ge mij er een weinig
mede bemoeien in uwe gezelschap, ik leerde u gerechten uit vreemde
streken maken, die onze dames niet kennen.
En smakkende, zei hij:
--Ik heb dorst.
--Naar wat? vroeg zij.
--Naar u, sprak hij.
--Hij is schoon, zei de keukenprinses tot de dame. Willen wij hem
binnenlaten, hij zal ons zijne avonturen vertellen.
--Maar zij zijn getweeën.
--Ik gelast mij met éénen, hernam de keukenmeid.
--Mevrouwe, sprak Uilenspiegel, 't is waar, we zijn getweeën: ik en
mijn arme Lamme, die geen honderd pond op den rug kan dragen, doch
gemakkelijk met vijfhonderd pond eten en drinken op de maag loopt.
--Jongen, zei Lamme, spot niet met mij; 't is al ongelukkig genoeg,
dat mijn buik mij zoo duur kost.
--Vandaag kost hij u geen duit, sprak de dame. Komt beiden binnen.
--Maar, sprak Lamme, er zijn ook twee ezelen, waarop wij zitten.
--In den stal van den grave van Meghem is geene haver te kort,
antwoordde de dame.
De keukenmeid liet heure braadpannen staan en bracht Uilenspiegel en
Lamme op het binnenhof, en de ezels begonnen seffens te balken.
--Ze rieken eten en ze schateren uit van vreugde, de arme dieren,
sprak Uilenspiegel.
Toen beiden van hunne ezels waren gestegen, sprak Uilenspiegel tot
de keukenmeid:
--Zoudt gij een ezel lijk ik willen, als gij een ezelinnetje waart?
--Ik zou een jongen met een vroolijk gezicht willen, als ik eene
vrouw was, antwoordde zij.
--Wat zijt gij dan, als gij vrouw noch ezelin zijt? vroeg Lamme.
--Eene maagd, sprak zij, eene maagd is geene vrouw, en eene ezelin
evenmin: begrijpt gij, dikzak?
Uilenspiegel sprak tot Lamme:
--Gij moet heur niet gelooven, 't is een deugnietje en een
duivelinneken. Beëlzebub heeft ze van nu af aan verkoren tot zijne
gezellin in de helle.
--Leelijke spotter, antwoordde de keukenmeid.
De dame sprak:
--Drinkt eerst eene pint bruinbier, eet een stuk hesp, snijdt van
dien bout, opent de pastei en proeft de salade.
Uilenspiegel vouwde de handen te zamen.
--Hesp, sprak hij, is heerlijk eten; bruinbier, hemelsche drank,
hamelbout, goddelijk vleesch; een gevulde pastei doet de tong van
genoegen trillen; een geurige salade is een vorstelijke spijs. Doch
zalig is hij, die uwe schoonheid tot nagerecht krijgt.
--Hoor hem eens bezig. Toe, eet, ondeugende jongen!
Uilenspiegel antwoordde:
--Zou ik niet liever beginnen met de dankzegging?
--Neen, sprak zij.
Maar Lamme was jammerlijk aan 't zuchten:
--Ik heb honger.
--Gij zult eten, sprak de schoone dame, vermits gij over niets anders
bekommert zijt dan over uwen buik.
--Ha! en mijne vrouw, zuchtte Lamme, als om heur gezegde te
logenstraffen.
Maar die woorden stelden de meid teleur. Lamme en Uilenspiegel aten
buik-sta-bij en dronken als tempeliers. En de dame gaf dien nacht
nog te eten aan Uilenspiegel en ook 's anderen daags en volgende dagen.
De ezels kregen een dobbel maatje haver en Lamme dobbel rantsoen. Eene
week lang bleef hij in de keuken geplakt en sloeg hij menigerhande
schotels naar binnen, maar hij hield zich niet bezig met de meid,
want hij dacht te veel aan zijne vrouw.
Dat maakte de dienstmeid spijtig, en ze zei, dat het een schande
was den menschen al dien last aan te doen, om uitsluitend aan zijn
vettigen buik te denken.
En intusschen leefden Uilenspiegel en de dame zeer vriendschappelijk
samen. Eens zegde zij tot hem:
Thijl, zoudt gij de verdediging uwer gemartelde broederen op u nemen?
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
--Zóó zijt gij schoon, riep zij uit. Maar wie is die Klaas?
Uilenspiegel antwoordde:
--Mijn vader, die voor het geloove verbrand werd.
--De grave van Meghem lijkt geenszins op u, sprak zij; hij wil eene
lating toedienen aan de stad, die ik minne, want ik ben van Antwerpen,
de zeeghaftige stede. Weet dus, dat hij overeengekomen is met Scheyf,
den raadsheer van Brabant, om zijne tien vendels voetvolk in Antwerpen
te brengen.
--Dat zal ik den poorters gaan zeggen, sprak Uilenspiegel; en hij ijlde
weg, rap als de wind. 's Anderen daags waren de poorters te wapen.
Doch Uilenspiegel en Lamme, die hunne ezels op stal gezet hadden
bij eenen pachter van Simon Simonsen, moesten zich schuil houden,
uit vreeze voor den grave van Meghem, die hen overal deed zoeken om
ze te hangen; want hij had vernomen, dat twee heretieken van zijn
vleesch gegeten en van zijnen wijn gedronken hadden.
De grave was jaloersch, en zeide het tot de schoone edelvrouwe,
die knarsetande, weende en wel zeventien reizen in onmacht viel. De
keukenmeid volgde heur voorbeeld, maar zoo dikwijls niet en verzekerde,
op heur aandeel in 't hemelrijk en heurer ziele zaligheid, dat zij en
heure Mevrouw niets anders gedaan hadden dan het afval van 't eetmaal
gegeven aan twee armzalige pelgrims, die op magere ezelen gezeten,
voor het keukenvenster waren komen staan,--en méér niet.
En dien dag vloeiden er zoovele tranen, dat de grond teenemale nat
was. Dit ziende, schonk messire van Meghem geloof aan heure woorden.
Lamme dorst niet meer teruggaan naar het huis van den edelen heere,
want telkens dat de keukenmeid zijn neus zag, begon zij zelve te
zuchten en te jammeren: Ha! mijne vrouw!
En hij was mistroostig, om den wille van het eten; doch Uilenspiegel
bracht hem altoos eenige lekkere kliekjes mede, want hij drong in
het huis langs de Sinte-Katelijnestraat, en hield er zich op den
zolder verscholen.
's Anderen daags, na de vespers, beleed de grave van Meghem aan de
schoone vrouwe, dat hij besloten had vóór den dageraad met zijne
soldaten 's-Hertogenbosch binnen te dringen. Dan viel hij in slaap.
De gravinne liep naar den zolder om Uilenspiegel te vertellen hetgeen
zij wist.