Verkleed als pelgrim, zonder geld, zonder mond behoeften, trok
Uilenspiegel dadelijk naar 's Hertogenbosch, om de poorters te
waarschuwen.
Hij was van zins een peerd te nemen bij Jeroen Praet, broeder van
Simon, voor wien hij brieven van den prins had, om van daar spoorslags,
langs de binnenwegen naar 's Bosch te rijden.
Op den steenweg, hoorde hij eene bende huurlingen achter zich
aanstappen. Hij verschrikte hevig, om reden van de brieven.
Vast besloten allen tegenspoed het hoofd te bieden, bleef hij staan om
Onze-Vaders te mompelen: toen zij hem ingehaald hadden, ging hij mede
met hen, en alzoo vernam hij, dat zij naar 's Hertogenbosch trokken.
Een Waalsch vendel opende den marsch. Aan het hoofd reden kapitein
Lamotte en zijne wacht van zes hellebaardiers; vervolgens, naar
rangorde, de vendrig met eene kleinere wacht, de provoost, zijne
hellebaardiers en zijne twee vangmannen, het hoofd van de wacht,
de trosbewaarder, de beul en zijne knecht; dan volgden pijpen en
tamboerijnen met een oorverdoovend lawijd.
Vervolgens kwam een Vlaamsch vendel van tweehonderd soldaten, met
zijn kapitein, zijn vendrig, en verdeeld in twee afdeelingen van
honderd man, elk aangevoerd door de bent-serjanten, en onderverdeeld
in rotten, geleid door tiendeniers of rotmeesters. De provoost en zijne
stokknechten waren mede voorafgegaan door pijpers en tamboerijnslagers,
die bliezen en roffelden om 't hardst.
Achter hen reden twee wagens, vol schoone, gichelende meidekens,
de lieven der soldaten. Joelend, dartelend en schaterend, etend,
drinkend en dansend, volgden de schoone, dolle meidekens den tros.
Er waren er gekleed als landsknechten, maar in fijn, helderwit
lijnwaad, uitgesneden aan de borst, uitgebekt aan mouwen en beenen,
aan het wambuis, zoodat men heure donzige huid kon zien; op het hoofd
droegen zij fijn lijnwaden kappen, met goud afgelegd, en met schoone
wapperende struisvogelpluimen. Aan heure goudlinnen gordelbanden,
gestikt met rood satijn, hingen de goudlakensche scheeden heurer
dolkmessen. En heure schoenen, kousen en hozen, heure wambuizen en
rijgsnoeren waren van witte zijde en klatermeerse.
Anderen waren insgelijks als landsknechten gekleed, doch in blauwe,
groene, scharlaken, paarse, karmozijnen stoffen, uitgebekt, geborduurd
en met wapenen versierd, naar alle grillen en vindingen. En allen
droegen op den arm een rood schijfje, tot teeken van heur bedrijf.
De hoerwijfel, haar serjant, wilde haar het zwijgen opleggen; maar zij
deden hem lachen door heur grappige woorden en bekoorlijke gebaren,
en naar zijne vermaningen luisterden zij niet.
Uilenspiegel, in zijn pelgrimspij, ging naast de twee vendels,
gelijk een speeljacht, dat vaart naast een oorlogsschip. En hij
knauwde steeds voort Onze-Vaders.
Eensklaps sprak Lamotte tot hem:
--Waar gaat gij aldus, reizende pelgrim?
--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel die honger had, weleer
bedreef ik een groote zonde, en 't kapittel van Onze-Lieve-Vrouwekerk
veroordeelde mij, te voet naar Rome vergiffenis te gaan vragen aan
den Heiligen Vader, die ze mij verleende. Nu kom ik gereinigd in deze
landen terug, op voorwaarde onderwege de Heilige Mysteriën te prediken
voor alle soldaten, die ik zou ontmoeten en die mij, in ruil mijner
sermoenen, brood en vleesch moeten geven. En aldus preekend, voorzie
ik in mijn armzalig bestaan. Wilt gij mij de toelating schenken,
bij de eerste pleisterplaats mijn gelofte te houden?
--Ja, sprak messire van Lamotte.
Zich broederlijk mengend onder Walen en Vlamingen, vergat Uilenspiegel
niet, van tijd tot tijd te tasten naar de brieven onder zijn wambuis.
De lustige deernen riepen hem toe:
--Pelgrim, schoone pelgrim, kom hier en laat ons hooren den gloed
uwer rede.
Uilenspiegel naderde heur en zeide vol zedigheid:
--Zusteren in Christus, spot niet met een armen pelgrim, die allerwegen
het heilig geloof voor de soldaten moet preeken.
En met de oogen verslond hij de lieve meidekens.
Maar de lustige wijven staken heure blijde gezichten door de gaten
van het zeil van den wagen.
--Ge zijt wel jong, spraken zij, om voor de soldaten te preeken. Kom
in onze wagens, wij zullen een blijdere taal tot u spreken.
Uilenspiegel had geerne gedaan zooals zij zeiden, maar hij dorst niet,
om reden van de brieven; reeds hadden er twee heure ronde blanke armen
uit den wagen gestoken, om hem op te trekken, maar de hoerwijfel,
die jaloersch was, snauwde tot Uilenspiegel:
--Ga weg of ik kap uw hoofd af!
En Uilenspiegel verwijderde zich van den wagen, dorstige blikken
werpend naar de frissche deernen, die de zonne met licht overstroomde.
Men kwam te Berchem; Philip de Lannoy, heere van Beauvoir, aanvoerder
der Vlamingen, beval daar halt te houden.
Daar stond een eik van middelbare grootte, met een enkelen tak
afgebroken in 't midden en waaraan, eene maand geleden, een wederdooper
had gehangen.
De soldaten bleven staan, en de marketensters kwamen bij hen
om hun brood, vleesch, wijn, bier en allerhande toespijzen te
verkoopen. Aan de lustige wijvekens verkochten zij suikergebak,
krakelingen, amandelen, taartjes. Als Uilenspiegel dat zag, kreeg
hij nog grooteren honger.
Vlug als een aap, klom Uilenspiegel op den boom en zette zich op
den dikken tak, zeven voet boven den grond. Daar sloeg hij zich met
eene geeselkoord, terwijl de soldaten en hunne lieven rond den boom
kwamen staan.
--In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, sprak
hij. Amen! Er staat geschreven: Wie aan den arme geeft, leent aan God:
dappere krijgslieden, en gij ook, schoone damen, leent aan God: 't is
te zeggen, geeft mij brood, vleesch, wijn, bier, als gij wilt, en de
taartjes die gij missen kunt, en God, die rijk is, zal U alles dobbel
teruggeven, met dozijnen ortolanen, beken malvezij, bergen kandijsuiker
en rijstpap, die gij in 't hemelrijk zult eten met zilveren lepels.
Vervolgens jammerend:
--Ziet gij niet door welke wreede smerten ik beproef, vergiffenis
mijner zonden te bekomen? Zoudt gij de bijtende pijn dier geeseling
niet lenigen, die tot bloedens toe mijnen rug kwetst?
--Wat is dat voor een zot? vroegen de soldaten.
--Mijne vrienden, antwoordde Uilenspiegel, zot ben ik niet,
doch boetveerdig en stervend van honger; want terwijl mijn geest
zijne zonden beweent, beweent mijn buik het gebrek aan smakelijke
spijzen. Brave soldaten en gij, schoone meidekens, bij u zie ik vette
hesp, gebraden ganzen, worsten, wijn, bier en taartjes, in grooten
getale. Hebt gij niets over voor den armen pelgrim?
--Ja, ja, riepen de Vlaamsche soldaten, zijne tronie bevalt ons.
En allen wierpen stukken eten naar hem. Op zijn tak gezeten, hield
Uilenspiegel niet op met bidden en spreken.
--De honger, sprak hij, maakt den mensch wederspannig tegen het gebed,
doch een stuk hesp neemt die kwade stemming dadelijk weg.
--Pas op uw hoofd! riep een serjant, terwijl hij een half volle flesch
naar hem wierp.
Uilenspiegel greep de flesch en, met kleine slokjes drinkend,
sprak hij:
--Zoo razende honger schadelijk is voor 't lichaam des menschen, is
er nog iets, dat even nadeelig is: te weten de angst van den armen
pelgrim, die van goedhertige soldaten een klein stukje hesp en een
heele bottel bier kreeg. Want gewoonlijk is de pelgrim sober van aard,
en zoo hij dronk met te weinig eten in de maag, ware hij dadelijk zat.
Terwijl hij sprak, ving hij eene ganzebil.
--In de lucht weidevisch vangen, sprak hij, is iets wondersbaars. Maar
de vangst is verdwenen in mijn keelgat. Wat is er gretiger dan droog
zand? Een onvruchtbare vrouw en een hongerige maag.
Plotseling voelde hij de punt eener hellebaard in zijne bil steken. En
eenen vendrig hoorde hij zeggen:
--Versmaden de pelgrims nu hamelbout?
Uilenspiegel zag op de punt van de hellebaard een groot stuk hamelbout
steken.
Hij nam het en sprak:
Bout voor bout, liever heb ik er zoo een tusschen mijn tanden dan
zoo'n ijzeren tegen mijn maag.
--Uit medelijden trek ik dit stuk hamelbout van uw wapen. Van het
mergbeen zal ik eene pijp maken om uwen lof te bezingen, goedhertige
hellebaardier.
... Nochtans, ging hij voort, terwijl hij het been afknaagde, wat
is een bout, hij moge nog zoo lekker en sappig wezen, zoo den armen
pelgrim geen vriendelijk taartje komt toelachen?
Terwijl hij dus sprak, sloeg hij de hand vóór het gezicht, want twee
taartjes, die uit de vrouwengroep kwamen, vlogen het een op zijn
oog, het andere op zijne kaak. De meidekens schaterden van lachen en
Uilenspiegel sprak:
--Wel bedankt, lieve meidekens, die mij roomkusjes zendt!
Maar de taartjes waren ten gronde gevallen.
Plotseling roffelden de trommels, bliezen de pijpen en zetten de
soldaten zich weder op marsch.
Messire van Beauvoir beval Uilenspiegel van den boom te komen en
nevens de soldaten te stappen. Doch Uilenspiegel had honderd uren
van dáár willen zijn, want uit de woorden van eenige soldaten maakte
hij op, dat hij verdacht voorkwam en dat zij hem wel voor een spion
konden nemen; dan zouden zij hem aftasten, en dit was zeker de galge,
als ze zijne brieven ontdekten.
Hij liet zich dus in eene greppel vallen en riep:
--Medelijden, heeren soldaten, mijn been is gebroken, ik kan niet
meer gaan; laat mij meerijden in den wagen der vrouwen.
Maar hij wist, dat de hoerwijfel het niet zou gedoogen.
Van uit haren wagen riepen de vrouwen:
--Ja, kom, schoone pelgrim, kom bij ons. Wij zullen u minnen, u
streelen, u kussen, en gij zult genezen zijn.
--Ik weet het, sprak hij, vrouwenhanden zijn hemelsche balsem voor
alle wonden.
Maar de jaloersche hoerwijfel sprak tot messire van Lamotte:
--Messire, ik geloof dat die pelgrim den spot bij ons drijft, en
dat zijn been maar alleen gebroken is, om bij de vrouwen mede te
rijden. Beveel, dat men hem op den weg late liggen.
--Zoo zal geschieden, sprak messire van Lamotte.
En men liet Uilenspiegel liggen.
Eenige soldaten, die meenden dat zijn been waarlijk gebroken was,
hadden spijt dat men een christenmensch zoo maar liet liggen, want ze
vonden dat hij een lustige kwant was. Zij gaven hem vleesch en wijn
voor twee dagen. De meidekens hadden hem geerne geholpen, doch wijl zij
niet mochten, smeten zij hem de krakelingen toe, die zij nog hadden.
Als de troep verre was, koos Uilenspiegel het hazenpad. Hij kocht
een peerd en rende vlug als de wind, over wegen en paden, naar
's-Hertogenbosch.
Bij de tijding van de komst der heeren Beauvoir en Lamotte, grepen
die van de stad, ten getale van achthonderd, naar de wapenen; zij
kozen aanvoerders en zonden Uilenspiegel, in kooldrager gekleed,
naar Antwerpen om hulp te vragen aan den machtigen Brederode.
En de soldaten der heeren Lamotte en Beauvoir konden niet binnen in
's-Hertogenbosch, de wakkere stede, die zich dapper verweerde.