Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond
tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt
van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap
gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een
brandende lanteerne naast hem ging.
--Wat wilt ge? vroeg Egmond.
--Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een
brandende lanteerne kan geven.
--Ga heen en laat mij, sprak de graaf.
--Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.
--Moet gij dan van de zweep hebben?
--Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene
lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in 't Escuriaal.
--Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met 't Escuriaal, antwoordde
de graaf.
--Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een
goeden raad te geven.
Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg
en steigerde, sprak hij:
--Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat
uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar
men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd
nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer
krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.
--Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.
--Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd
voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche
die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman,
met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne
driemaal zegevierende troepen kan stellen.
--Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.
--Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.
De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op
de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:
--Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!
Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanning het Bont
Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het
Muizeken geheeten.
De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:
--Is er iemand?
Uilenspiegel, die bij 't Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen
beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.
De graaf herkende hem:
--Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.
--Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst
is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals
stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.
De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.