Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding
van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan,
doof blijven voor 't geroep van den haan, werd aan eene der poorten
van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen
door een Italiaan, in dienst van Granvelle. 's Zondags nadien ging
de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene,
gele en roode narren.
Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep:
"Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal
haast met u mosselen zieden"; het beeld werd ijlings in 't koor van
de kerk teruggebracht.
Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze,
in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen
onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen
en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en
tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later
ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin,
vroeg of Maaiken--dat was Maria--bang was, daar ze zoo ijlings terug
in de kerk kwam.
--'t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde
Uilenspiegel.
De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan,
maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:
--Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.
Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar
waren, zeide hij:
--Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend),
betrouwt ze niet, 't zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders,
die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.
Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:
--Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het
geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel
verkocht om er trommelen van te maken?
--Beziet eens dien preeker! riepen ze.
Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van
Onze-Lieve-Vrouwe:
--Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik
zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.
Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om
er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:
--Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon
nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!
Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw
geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne
heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken
en Maaiken beneden te halen.
Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de
assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en
ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.
De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het
volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten,
maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de
anderen spraken:
--Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.
De markgraaf sprak:
--Er wordt niet gezongen.
--Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.
Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de
kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over
den vloer en zeiden: "Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk,
en gij verveelt u: kom spelen met ons".
En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.
De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren
sluiten behalve ééne.
En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen
stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder
't gebulder van kanonnen.
Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben;
met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:
"In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,
drie zijn één en één is drie; God beware ons in 't hemelrijk van
dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is
Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten
gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad
Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan
tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: "Zijt gij nu te fier
om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed
zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?" En
Maaiken antwoordde: "Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals
den kop!" "Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar
de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker
dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een
dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee
te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten
zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij
de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur
gouden kroon en rijke juweelen niet onder 't arme gemeene volk zou
vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar
Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand,
en grijnslachend zegt: "Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten,
die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is 't met uwe onbevlektheid? Ge
moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat
ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen
naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden." Aldus
sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig,
bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.
En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde:
"Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van
schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde
nemen! Hout drijft toch boven!"
Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.
Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den
spreker van de trappen en zei tot het volk:
--Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang
is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen
u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te
kunnen verklaren, uwe kisten te ledigen, u te onthalzen en levend
te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders,
hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat
Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en
geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds
heeft u in 't oog, en 't is door plundering en vernieling, dat hij het
vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva
over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring
en dood!
... En hij zal erven!
--Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de
koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het
tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!
Maar het gemeen kon hen niet hooren.
De handlangers riepen:
--Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft
toch boven!
Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:
--Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad
niet ten onder!
En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd,
hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel
bebloed, hield hij niet op te roepen:
--Duldt de plundering niet!
Maar het was te vergeefs.
De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het
koor aan, hetwelk zij braken al roepend:
--Vive le geus!
Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht
was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone
schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren
werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen
getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met
hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen
er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders,
De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris,
Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster,
de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al de
kerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in
Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er
mee overal rond.
En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst
in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.
Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen;
doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.
In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.
--Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.
--Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak
Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun
last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne
hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en
zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke
dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal
wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al
mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering
baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling
zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld
is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!
Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den
mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm
geenerlei verzet te bieden, sprak hij:
--Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de
hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme
vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg,
het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer
Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft
gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk
heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.
Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten
de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van
allen die in ballingschap gingen.
En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht
naar zijne vrouw.
En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.