De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de
andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd
gouden karolussen vond, die hem tot zijn eerlooze daad aangezet hadden.
Soetkin weende 's nachts en werkte 's daags in het huishouden. Dikwijls
hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:
--Als hij erft, laat ik mij dooden.
Nele en hij, wisten dat zij doen zou wat zij zeide; zij deden hun
best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen
had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde
van den bodem, die weldra heur gebeente zou ontvangen.
Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw tot den baljuw en zegde,
dat de aflijvige voor eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd
had, dat Klaas een spaarzam man was en dat hij dus die groote som
niet verteerd had, maar dat ze ergens verborgen moest zijn.
De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan
om, na den eenen zijn vader en de andere heuren man te hebben ontnomen,
hen nu nog zoo wreedelijk te vervolgen.
De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme,
de wetten van den lande wilde doen eerbiedigen om 's keizers
goedertierenheid te verwerven.
Daarop liet hij in handen van den baljuw een geschrevene aanklacht en
hij bracht getuigen, die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks
moesten bevestigen, dat de vischverkooper niet loog.
Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer,
dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe
te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de
serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen,
alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van
Brugge kwam, die men op staanden voet had ontboden.
Toen Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen,
stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.
En de poorters en poorteressen van Damme stonden ook aan hunne
deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde
Uilenspiegel tot den lafaard zeggen:
--Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere!
En ook Soetkin, die zei:
--Gij, die eenen wees vervolgt, zult een kwaden dood sterven!
Toen die van Damme aldus vernomen hadden dat het op een tweede
aanklacht van Grijpstuiver was, dat men moeder en zoon naar 't gevang
bracht, jouwden zij den vischverkooper uit en smeten 's avonds steenen
in zijne ruiten. En zijne deur werd vol vuiligheid bestreken.
En hij dorst niet meer buitenkomen.