Eensklaps keerde Soetkin zich naar hem en sprak, met den vinger naar
den vischverkooper wijzend:
--Dáár is de aanbrenger!
--Ik weet het, zei Uilenspiegel.
--Duldt gij, sprak zij, dat hij uws vaders bloed erve?
--Nog liever zat ik een heelen dag op de pijnbank, antwoordde
Uilenspiegel.
--Ik ook, sprak Soetkin, maar spreek niet uit medelijden, hoe groot
ook de smerte weze die ik lijde.
--Eilaas! gij zijt eene vrouwe, zei Uilenspiegel.
--Arme jongen, sprak Soetkin, ik bracht u ter wereld en kan tegen
't lijden. Maar gij, als ik u zag.... Vervolgens verbleekend: Ik zal
de Heilige Maagd bidden, die heuren zoon aan het kruis zag....
En zij weende, en kuste Uilenspiegel.
En aldus sloten zij een verdrag, dat hun haat en hunne kracht
versterkte.