LXXVIII.

Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in

de folterkamer gebracht.

Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge,

zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.

De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer

toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon

achterhouden.

--En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.

--Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd

karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de

andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed

ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis

karolussen gezien.

De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven

volherden.

Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer

toekwam.

Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:

Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen

bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.

--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles

gekocht wat er was.

--Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de

vrouwen verdragen.

Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was,

zeide zij nog:

--Ik haat en 'k ben sterk.

--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.

--Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.

De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid

te ontrukken.

De beul antwoordde:

Alles is gereed.

De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen

met de vrouw, om 't stuk te doen bekennen.

--Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij

zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.

De baljuw sprak tot den scherprechter:

--Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen

en voeten.

De beul gehoorzaamde.

--Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast

in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!

--De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en 'k ben sterk.

Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.

De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren

gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen

toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al

de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn

veroorzaken.

Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.

--Trek aan, zei de baljuw.

De hangman deed het wreedelijk.

Toen sprak de baljuw tot Soetkin:

--Zeg mij waar de karolussen liggen.

--Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.

--Nijp harder, sprak hij.

Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren

gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.

--Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze

vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet;

heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen

wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.

--De vischverkooper! riep Soetkin.

En Uilenspiegel zweeg.

Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen,

riep hij opnieuw:

--Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig

heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen

gaan! Erbarming, heeren!

--Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.

En heure beenderen kraakten en 't bloed van heure voeten gutste

ten gronde.

Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:

--Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.

--De vischverkooper! zuchtte Soetkin.

En heure stem was zacht als de stem van eene schim.

--Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van 't bloed. Men

heeft heure beenderen gekraakt.

De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet

van smerte.

--Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.

Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een

doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder

een woord te uiten.

--Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de

baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit

te rekken.

Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die

zij uitstond.

Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.

Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner

moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of

hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn

rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met

een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het

litteeken geen tooverije verborg. Op 't bevel van den baljuw, werden

Uilenspiegel's handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken

aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters,

hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit

deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van

vijf en twintig pond te hebben gebonden.

Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels

ontwricht.

--Belijd, sprak de baljuw.

--Neen, antwoordde Uilenspiegel.

Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen

of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten

teeken dat men die folteringen zou staken.

Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En

het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden

nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.

Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.

--Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.

--De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.

--Is 't om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.

--Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe,

ge moogt mij gelooven.

Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis

aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.

Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug,

uitroepende:

--Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg

met dat vuur!

--De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.

--Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel

het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.

De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide

onder de vlamme.

Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:

--Doe dat vuur weg.

--Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor

hem, vrouwe.

En Uilenspiegel sprak:

--De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!

Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen

had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin

met verwilderde oogen naar heuren zoon.

Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend

fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:

--Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.

--En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.

--Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel, gij

ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft

gelogen.

--Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.

Soetkin knikte van ja.

--Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.

Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.

Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons,

riep zij uit:

--Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een

einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!

--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.

Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met

gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.

Toen riep Soetkin:

--Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet

het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te

sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.

--Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.

Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.

De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed

overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker

de beenderen weer in de gewrichten bracht.

En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:

Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het

gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters,

als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij

hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme

vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in

vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts

getweeën op de wereld.

Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:

"Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl,

zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed

geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle

privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil

van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;

"Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken

staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan

hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staat u toe,

niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede,

waar het u believen zal.

"Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten

van Wijnmaand van 't jaar onzes Heeren 1558."

--Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.

--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.

En moeder en zoon werden op eene kar naar 't huis van Katelijne

gevoerd.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 85 / 195 题