LXXVI.

's Anderen daags kwamen de serjanten en omroepers der gemeente in de

hut van Klaas, om al het huisraad op straat te brengen en publiek te

verkoopen. Van uit Katelijne's huis zag Soetkin de wieg van ijzer en

kooper beneden komen die, van vader tot zoon, altijd in Klaas' huis

was geweest, waarin de arme doode geboren was en ook Uilenspiegel ter

wereld kwam. Vervolgens bracht men ook het bedde beneden, in hetwelk

Soetkin heuren zoon had ontvangen. En vervolgens de schapraai, en

de ketels, pateelen en potten, die niet meer blonken lijk weleer,

maar nu vuil van het stof waren.

En ook eene tonne enkele en een klein vaatje dobbele kuite en, in

een groote mande, ten minste dertig flesschen wijn; en alles werd op

straat gezet, tot den laatsten stoel uit het huis.

Met bloedend herte, doch zonder klagen, zag zij zich heur nederigen

rijkdom, alle die herinneringen van vroeger, alle die vrienden

ontnemen. De omroeper stak de keers aan en het huisraad werd stuk

voor stuk verkocht. De keers was bijkans op, als de deken der

vischverkoopers alles tegen een spotprijs gekocht had om het voort

te verkoopen. Hij scheen vergenoegd als een wezel, die de hersenen

eener henne uitzuigt.

Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet blijven lachen,

moordenaar."

De verkoop was gedaan en nochtans bleven de serjanten overal zoeken,

zonder de karolussen te vinden. De vischverkooper riep:

--Gij zoekt slecht: ik weet dat Klaas voor zes maanden zevenhonderd

karolussen bezat.

De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders · 第 82 / 195 题